

ma-vr: 08.30 - 17.00 uur
za: 09.00 - 14.00 uur
2e Pinksterdag: 09.00 - 15.00u

Het Land van de Rijzende Zon ! Japan ! Dat is een ver vreemd land, mensenmassa’s, technische hoogstandjes, hoge prijzen, sushi, snelle treinen, ingetogen theeceremonies, neonreclames, geisha’s, …
Eindelijk gaf Kras Reizen de kans om Japan te leren kennen voor een niet-buitensporige prijs, en trok ik de stoute schoenen aan om te leren hoe Japan echt is, anno 2008. De verwachtingen waren hoog gespannen !
Op 26 oktober vlogen we dan met Cathay Pacific Airlines, vanaf Schiphol eerst richting Hongkong, en van daaruit verder naar Tokyo. Een lange vlucht, ongeveer 13 uur, niet echt mijn hobby, maar deze vlucht was een beetje een feestje omdat het de maiden flight was van onze gloednieuwe Boeing 777. We werden door de knappe stewardessen extra verwend, de plaatsen waren ruim genoeg en het entertainmentprogramma was heel uitgebreid. Je kon zelfs tijdens de vlucht een cursus Chinees of Japans doen !
Op Hongkong Kaitak Airport moesten we overstappen en zo konden we ook onze reisgroep zich al zien vormen; 17 passagiers, de meesten ervaren globetrotters op leeftijd. Kaitak Airport is immens, heel modern en schoon. Een beetje duf was ik wel, zo’n nacht in een vliegtuigstoel blijft een noodzakelijk kwaad als je naar de andere kant van de wereld wil.
Met slechts 20 minuten vertraging landden we op Tokyo Narita Airport, om 14.20 uur. Door de ingang van de wintertijd in Nederland, was ons tijdverschil nu maar liefst acht uur … Ook Narita Airport is een enorme luchthaven, maar de lange rolpaden leidden ons vanzelf naar de douane, met speciale counters voor buitenlanders. Het personaliaformuliertje hadden we in het vliegtuig al ingevuld, er werden snel vingerafdrukken genomen en foto’s van onze vermoeide gezichten gemaakt, we zochten onze koffers (altijd weer een opluchting als die er daadwerkelijk ook zijn !) en gingen richting aankomsthal. Daar wachtten onze reisleider Michel Lebon en onze lokale gidse Oka ons al op. Snel even geld wisselen of pinnen, we waren nog niet goed bekend met de wisselkoers, en dan met een luxe transferbus richting Tokyo-stad. Narita Airport ligt op ongeveer 80 kilometer van het stadscentrum.
Onderweg in de bus lichtte Michel – met zacht Limburgs accent – ons in over een aantal praktische zaken in dit onbekende land. Een kordate, praktische reisleider die houdt van duidelijkheid en korte metten maakt met vooroordelen; zeker in Japan een goede eigenschap ! Hij bracht ons heel tactisch eerst het slechte nieuws : door de wereldwijde financiële crisis viel de wisselkoers van de Japanse yen slecht voor ons uit. In september was volgens Michel de wisselkoers nog 170 yen voor één Euro, nu moesten we ons tevreden stellen met 115 yen. Dat is pech ! Michel ontkrachtte nog een paar van onze voorstellingen van Tokyo, maar bleek later wel gelijk te hebben : Tokyo is ’s avonds een donkere stad, bijna geen enkele Japanner spreekt Engels, sushibars zijn erg schaars, men fietst op het voetpad, ….
Na aankomst in ons hotel Shiba Park eerst maar eens gedoucht, de winterkleren uit (in Tokyo was het nog een aangename 20°C) en de omgeving van het hotel verkend. Veel noedelrestaurantjes, waar men vaak staande een snelle maaltijd nuttigt, slechts enkele straatjes zijn helverlicht met neonreclames, het is opvallend stil en het aantal Engelstalige opschriften is minimaal …
Poeh, genoeg indrukken voor deze avond, het bed was heerlijk zacht ….
Na een zalige nachtrust, niet te veel geplaagd door het tijdverschil en een uitgebreid Westers ontbijtbuffet, gingen we op pad voor een stadstour door Tokyo. Onze lokale gidse heette Oka Rie, Oka is haar familienaam, en we mogen haar Oka-san noemen, de beleefdheidsvorm. Als we er Okáá-san van maken is dat geen probleem, dat betekent “moeder”; Oka werd dus onze Japanse moeder. Een klein, levendig vrouwtje die verbazend duidelijk Engels spreekt en gezegend is met een enorm gevoel voor humor en theater !
De stad Tokyo bestaan eigenlijk niet, het is een prefectuur met de oppervlakte van éénderde van Nederland, met circa 37 miljoen inwoners. Sinds 1868 is het vissersplaatsje Edo de officiële hoofdstad van het Japanse keizerrijk, tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de stad verwoest dor aanhoudende bommentapijten en daarna inderhaast en zonder eigenlijke planning heropgebouwd. Het resultaat was een grote, onoverzichtelijke woestijn van betonnen hoogbouw, dooraderd met snelwegen en viaducten, afgeschermd met grijze geluidsschermen, en hier en daar een park. Ons hotel ligt vlakbij het symbool van Tokyo, de oranjewitte Tokyo Tower, met een sterkte gelijkenis met de Eiffeltoren, maar lichter van constructie en 9 meter hoger.
Onze eerste stop was bij de grote Tsukiji-voedselmarkt, waar we onze ogen uitkeken : grote hoeveelheden spartelverse vis, zeevruchten waarvan we het bestaan niet durfden vermoeden, wasabiwortels (een soort mierikswortel), gedroogde vellen zeewier en algen, vele soorten onbekende paddenstoelen, sojasauzen en kleine restaurantjes. Vreemd, we zagen weinig groenten en fruit, voor de meeste Japanners een vrij dure luxe. Zelfs druiven werden per stuk verkocht ! Japan is dus geen goede bestemming voor vegetariërs.
Op de prijskaartjes stelden we ook weer de gevolgen vast van de financiële malaise : veel prijzen waren doorgestreept en vervangen door hogere bedragen.
De volgende stop was bij de ingang van het keizerlijke paleis. Japan is het laatste keizerrijk op aarde en onbetwist het oudste. Volgens de Japanse historie is de Yamato-dynastie al sinds 660 voor Christus aan de macht. Die macht is nu voornamelijk symbolisch, maar tot 1945 waren de keizers goddelijk en onfeilbaar. De huidige keizer Akihito was ook de eerste die met een burgermeisje trouwde, nu keizerin Michiko. Het paleis ligt achter een gracht en een hoge muur in een groot, ontoegankelijk park, alleen de poortgebouwen mogen we fotograferen.
Van daaruit namen we in de duurste, modernste zaken- en shoppingwijk Ginza de metro. Michel legde ons uit hoe we ons het gemakkelijkst kunnen verplaatsen in de ingewikkelde wirwar van metro- en treinlijnen. Simpel is dat niet, maar wel de goedkoopste en vaak snelste manier om je in deze metropool. Met de moderne metro reden we snel naar de Asakusa Sensoji Tempel, één van de voornaamste boeddhistische tempels en toeristentrekkers van Tokyo. Er is juist een festival aan de gang dus is de tempel versierd met duizenden witte lampions en ook heel veel bezoekers. Men verdringt zich om bij het beeld van Kannon te komen, de godin van de genade, en gelovigen nemen een “wierookdouche” die reinigend en genezend zou werken voor lichaam en ziel. In de buurt zijn er ook veel souvenirstalletjes met snuisterijen, ansichtkaarten en amuletten en ook eethuisjes.
Daarna reden we met de bus naar het Meiji Shintoschrijn. Het shintoïsme is een Japanse natuurreligie met vele onzichtbare goden (“kami”), waarbij het er op neerkomt dat men de balans moet vinden tussen al deze manifestaties, middels goede daden, reinheid, respect voor de natuur, tradities en familie. Een beetje vaag is het wel voor ons, maar de hiaten in het shintoïsme – zoals zorg voor het hiernamaals – worden goed aangevuld door het in de zevende eeuw geïntroduceerde boeddhisme.
De Meiji-keizer was de grote hervormer, die in 1868 aan de macht kwam en de Japanse Renaissance inleidde. Van 1192 tot 1868 kende Japan een feodale samenleving, in de praktijk geleid door militaire leiders (“shoguns”), op basis van de uit China geïntroduceerde rationele klassenmaatschappijfilosofie van Confucius, en de grenzen werden gesloten. Het enige contact met de buitenwereld bestond uit handelscontacten met de oude handelspartners uit China en Korea, en mondjesmaat het exclusieve handelsrecht met de Hollanders, vanaf het eilandje Deshima bij Nagasaki. Een stugge maar goed functionerende, conservatieve samenleving, die na het aandringen van onder andere een Amerikaanse oorlogsvloot pas in 1868 onder leiding van de hervormingsgezinde Meiji-keizer radicaal zou veranderen, en een industriële inhaalslag zou maken, maar anderzijds ook de nationalistische gevoelens zou aanwakkeren. De keizerlijke ziel wordt bewaard in een groot shintocomplex in een uitgestrekt park. Feitelijk bestaat het complex uit een lege hal, en bijgebouwen waar gelovigen offergaven brengen, meestal in de vorm van grote flessen of zelfs vaten rijstwijn. Bij een bron konden we ons met bamboe lepels ritueel reinigen; smetvrees lijkt een beetje de nationale fobie, alles is zó schoon !
Oka-san vertelde ons over de eenvoudige rituelen, en we offerden allemaal braaf wat kleingeld, smekend om een goed verloop van onze reis door Japan.
Als laatste en als contrast hadden we vrije tijd in de naburige Harajuku-wijk, een wijkje waar de “opstandige tieners” zich manifesteren door middel van felgekleurde kleding en dito haren, piercings, en experimentele muziek. In een land waar de meeste mensen gekleed gaan in bijna uniforme, donkere kleding is dit iets heel bijzonders !
Inmiddels liet de jetlag zich voelen, het was half vijf en het schemerde al, dus terug naar het hotel, een hapje en een pot prima Japans bier en … naar bed !
Vandaag een vrije dag in Tokyo ! Het is weer zonnig en ruim 20°C. Oka-san en Michel hadden ons genoeg ideeën aan de hand gedaan om de dag nuttig door te komen. Eerst ging ik naar Het World Trade Centre, vlakbij het hotel, voor een blik over Tokyo vanaf de 40 ste verdieping. Tja, beton zo ver het ook kan reiken, een stukje haven en een paar grote parken. Dankzij de nabijheid van de zee heeft Tokyo niet zoveel last van smog. Daarna met de ondergrondse (toch spannend !) naar het Uenopark, het culturele park van de hoofdstad, dat nu in prachtige gouden herfstkleuren getooid was. In het Nationaal Museum was er een grote tentoonstelling over Vermeer. Er is ook een afdeling moderne kunst, en een tijdelijke tentoonstelling over de schatten van Serendib, het oude Sri Lanka. In de niet al te grote dierentuin ligt de nadruk op vooral Japanse diersoorten, in mooie ruime verblijven. Verder staan er in het Uenopark enkele tempeltjes en andere musea, er is rust en groen, en vele Japanners genoten van de herfst, luisterend naar twee dames die virtuoos de marimba bespeelden. Een hele ontspannen sfeer in een jachtige grootstad !
Op weg terug naar het hotel kwam ik in de namiddagspits terecht. De metro zat stampvol met “sararii-men” (kantoorpersoneel in donkere kostuums, met grote schoudertas) en dames in saaie mantelpakjes. Telefoneren is verboden in de metro, het is ondanks de drukte erg stil, iedereen staart voor zich uit of sms’t, oogcontact wordt vermeden, en zij die wel praten doen dit bijna fluisterend. De trendy jonge meisjes ertussen vormen een kleuriger noot, dragen minirokjes, bontgevoerde laarsjes en ondanks de aangename temperaturen zijn wollen mutsen duidelijk ín.
Opmerkelijk is hoe schóón het overal is; zowel binnen als buiten is er geen rondslingerend papiertje, blikje of sigarettenpeuk te zien ! Toch zijn vuilnisbakken erg schaars, de Japanner neemt zijn vuilnis mee naar huis. Wat zouden ze schrikken in Nederland ! Op vrijwel elke straathoek staan smetteloze, goedwerkende “vending machines” met niet-alcoholische dranken, warme of koude koffie en sigaretten. Hoe lang zouden die bij ons zo blijven staan ? Desalniettemin, politie heb ik nauwelijks gezien.
Op donderdag had de voltallige groep geboekt voor een facultatieve excursie naar Nikko, circa 140 kilometer ten noorden van Tokyo. Dit gebeurde met de gespecialiseerde touroperator Sunrise Tours. We werden al vroeg opgehaald bij het hotel en via een wisselpunt in de juiste bus geloodst. Hahaha, een dagje als een Japanse toerist, strak geleid door de knappe jonge Yoko. Ze vertelde ons tijdens de rit onder andere over het wonen in Japan. Een gemiddeld huis of appartement heeft een oppervlakte van 90 m², echter in Tokyo is dit gemiddeld slechts 60 m². Voor de duurste grond, in de zakenwijk Ginza, loopt de prijs op tot circa 400.000 € per m² ! In de huisjes moet de Japanner dus woekeren met de ruimte, vaak is de woonkamer ook eetkamer, en ’s avonds rolt men een futon-matras uit en wordt het de slaapkamer.
Vanaf de viaducten langs de Sumidarivier zagen we onder bruggen en in parken vele hemelsblauwe tentjes; de daklozen krijgen in Japan van de overheid een tentje of een “woondoos”. Officieel zouden er in Japan zo’n 24.000 daklozen zijn, maar door de economische problemen loopt dit aantal snel op.
Het beton maakte plaats voor rijstvelden en bergen. Het was weer zonnig en na een korte toiletstop gingen we stijgen, door gouden herfstbossen en langs dorpjes, naar het schrijn van de ziel van shogun Ieyasu Tokugawa, die in 1600 het door burgeroorlogen uiteenvallende Japan weer verenigde maar ook van de buitenwereld afgrendelde. Prachtige kleurige tempels tussen de hoge cederbomen, mooi houtsnijwerk (met onder andere de drie aapjes “horen , zien en zwijgen”) en rustiek bemoste stenen lantaarns. We waren er niet de enigen, ook volksstammen Japanners kwamen genieten van de herfstkleuren. Na een Japanse lunch uit een stapelwerkje van gelakte kommetjes, reden we hoger de bergen in, langs 20 haarspeldbochten. Wát een uitzicht !
We maakten een fotostop bij het Chuzenji-meer, op 1270 meter hoogte gelegen, en bibberden snel de bus weer in, voor een stop bij de hoogte waterval van Japan, de Kegon-waterval, ruim 96 meter hoog. We hadden geluk, we zagen zelfs enkele Japanse makaken, met dikke vacht.
Daarna daalden we via 28 haarspeldbochten weer af, ons nog steeds vergapend aan de herfstbossen, maar toen werd het al snel donker; Tokyo ligt ongeveer op de breedtegraad van Gibraltar. En zo kwamen me nog vóór acht uur aan bij ons hotel, een onvergetelijke dag !
We verlieten Tokyo-stad, in zuidwestelijke richting, langs de enorme haven van Yokohama, en we pauzeerden even op een kunstmatig eiland, Umihotaru (“Vuurvliegje”), dat we via een lange tunnel van 9,6 kilometer bereikten. Feitelijk is dit eiland aangelegd als tussenstop tussen een brug van 4,4 kilometer en de tunnel, als “binnenweg” voor het verkeer om de enorme omweg om de Baai van Tokyo te vermijden. Een geweldig staaltje vakmanschap ! Het tussenstation kende eveneens een bezoekerscentrum van 6 verdiepingen, met restaurants, supermarktje, speelautomaten en souvenirs, en een technisch museumpje. Bij helder weer zou van hieruit de Fuji-berg te zien zijn. Helaas weerhoudt het hoge toltarief van bijna 30 € de meeste automobilisten ervan deze route te nemen.
Wij reden verder naar het tempelstadje Kamakura; ooit plaatje in een natuurlijk fort, beschermd door hoge bergen en de zee, dat zelfs tijdelijk in de dertiende eeuw hoofdstad was van het toen verdeelde Japan. Na een aantal burgeroorlogen vertrok een groot deel van de bevolking en vestigden er zich vele boeddhistische en shintoïstische monniken in de groene bergen aan zee. Nog steeds is Kamakura een religieus centrum voor Japan, met 19 shintoschrijnen en 65 boeddhistische tempels, maar ook een gezellig toeristenstadje.
Wij bezochten er het oudste heiligdom, het Tsurugaoka Hachiman shintoschrijn, een helderoranje schrijn in de bossen waar drie keizerlijke zielen hun rust gevonden hebben. In de elfde eeuw was dit schrijn het centrum van het stadje, bereikbaar via een toegangsweg van bijna twee kilometer, vanaf het strand door het stadje, waarbij een drietal torii-poorten aangaven dat men heilig gebied betrad. Ook hier weer vele geofferde sakévaten, maar ook vele mogelijkheden om wensen op te schrijven en in de tempel te hangen, en mogelijkheden om de toekomst te laten voorspellen. Dit laatste gebeurt soms door monniken, maar in het moderne Japan kan men ook een toekomstvoorspelling – tegen betaling - uit een automaat “trekken” ! Vaak zijn de voorspellingen niet positief, en laat met het slechte nieuws liever achter in de tempel, en men bindt de slechte toekomstperspectieven aan een boom of speciaal daarvoor gespannen touw. Oude tradities en hightech gaan in Japan hand in hand ! Oka-san vertelde over haar leven; hoe zij als een meisje uit een boeddhistische familie op een christelijke school terechtkwam en later haar echtgenoot trouwde met een shintoritueel; religie kan heel verdraagzaam en rekbaar zijn in Japan.
We kregen even vrij in de gezellige maar niet goedkope winkelstraatjes voor de tempel, en aten een smakelijke Japanse lunch van rijst, vis en beetje groenten in een lokaal restaurant, waarna we de straat overstaken naar de Daibutsu-boeddha. Deze dertiende-eeuwse bronzen boeddha van 13,35 m hoog is een wonder van vakmanschap, zeker voor die periode, en staat gewoon buiten, nadat een tsunami in de vijftiende eeuw de tempel wegspoelde.
Daarna namen we een mooie route langs de zee richting Hakone.
Japan is een eilandenrijk, met een oppervlakte van net geen tien maal Nederland, dat bestaat uit vier hoofdeilanden (Hokkaido, Honshu, Shikoku en Kyushu) en meer dan 6800 kleinere eilandjes. Feitelijk zijn het allemaal toppen van een enorm onderzeese keten van vulkanen, in een bocht van ruim 2800 kilometer lengte. De omringende oceanen zijn meer dan 8000 meter diep, en eilanden zijn meestal bergachtig en steil. Het hoogste punt van Japan ligt in de zogenaamde Japanse Alpen, en dat is de Fuji-berg. Er zijn nog zo’n 265 vulkanen in Japan, waarvan nog 67 als actief geregistreerd staan, vandaar de vele aardbevingen. De meeste hellingen zijn steil en bebost, dus tweederde van Japan bestaat uit bos. Minder dan 10 procent van het land is vlak genoeg om er te bouwen of landbouw te bedrijven. Honshu is het hoofdeiland, waar zich de grote steden bevinden als Tokyo, Osaka, Hiroshima, Kobe, …
Dankzij de nog zo roerige ondergrond zijn er in Japan veel thermale bronnen, met name in Hakone. Nadat we de kustweg verlaten hadden, stegen we snel door de groene, steile bergen naar het Ashinoko-meer, boven de 700 meter. Er stond een venijnige wind die in de loop van de avond stormachtig werd. Onze ryokan (“herberg”) Musashiya, lag aan de oevers van het meer, waar de golven al witte koppen kregen, en beschikt over een “onsen”, een thermaalbad. Eerst naar de kamers, waar we de wind hoorden fluiten. Dat was wel even schrikken, de kamer had beige tatami-matten van rijststro op de vloer (dus : schoenen uit !), een lage tafel, maar geen bed ! De futon zou ’s avonds uitgerold worden. Een aantal dapperen begaven zich naar het kleine thermaalbad, de seksen keurig gescheiden, waar men zich eerst grondig wast en afspoelt onder de douche, en dan gaat relaxen in het hete thermaalwater. Dat kon zowel binnen, als ook buiten op een balkon op de vijfde verdieping, waar de wind floot. Oka-san had ons als een ervaren gids-comédienne onvergetelijke instructies gegeven ! Een hele bijzondere en ontspannende ervaring !
Ook het diner was Japans, en we hadden een dresscode meegekregen : iedereen kwam netjes in de grijsgroene kimono die in onze kamer hing. Het diner was erg uitgebreid, met veel vis, krab, garnalen, tofu, wat groenten en zelfs eetbare bloemen, een kom rijst, misosoep, thee en een karaf warme saké. Niet iedereen had het even gemakkelijk met de stokjes, maar het werd heel gezellig !
De vraag bleef : zullen we morgen de Fuji-berg kunnen zien ?
De volgende ochtend was iedereen vroeg wakker, sommigen wat stijfjes van de nacht op de futon-matras op de vloer, en we keken vol verwachting naar buiten. De wind was gaan liggen, de zon kwam op achter de hoge bergen en het leek helder. Maar eerst het ontbijt; tot de schrik van sommigen was ook het ontbijt Japans, met rijst, soep, makreel, tofu en veel thee.
Als eerste vandaag zouden we een boottochtje maken op het Ashinoko-meer, op 300 meter van ons hotel. Velen snelden vooruit naar de koffieautomaat, haha ! De contouren van de Fuji werden al zichtbaar, er was hoop ! We voeren slechts 25 minuten op een soort piratenschip dat in de Efteling niet zou misstaan, met een prachtig zicht op de heiligste berg van Japan, de Fuji-vulkaankegel, 3776 meter hoog; een wolkje bleef hardnekkig aan de top hangen. We vervolgden onze route met een lage kabelbaan, met schitterende vergezichten, om dan uit te komen bij Owakudani, ook wel “de Kokende Vallei” of de “Vallei van de Hel” genoemd. We waren inmiddels gestegen naar 1050 meter hoogte, rookpluimen kwamen uit de grond en de zwavelstank was onmiskenbaar. Maar wat een práchtig uitzicht, hoog boven het meer, helder zicht op de Fuji en de witte rookpluimen van de zwavelbronnen. Na een korte wandeling bereikten we enkele zwavelpoelen waarin eieren gekookt werden, die dan gitzwart weer boven kwamen. Michel trakteerde ons op deze zwarte eieren, die per ei 7 jaar aan ons leven zouden toevoegen !
Na een eenvoudige Italiaanse lunch reden we andermaal de bergen in, stopten nog even bij een voormalige middeleeuwse “grensovergang” tussen twee shogunaten en reden naar het plaatsje Mishima, waar we de eerste trein zouden nemen van onze reis.
Het treinstation was keurig, brandschoon, veel controle en alles was duidelijk aangegeven. Wij zouden met de Shinkansen-hogesnelheidstrein naar Osaka gaan, een afstand van 432 kilometer, die we 2¼ uur zouden afleggen. De Shinkansenlijnen zijn er al sinds 1964, zijn strak georganiseerd, superveilig en superpunctueel; de gemiddelde vertraging in 2007 was … 6 seconden !
Op het perron konden we al in de rij gaan staan op de aangegeven plaats waar wagon 12 zou stoppen, onze plaatsen waren al gereserveerd, en hij stopte er ook, bijna op de centimeter nauwkeurig ! Het is alleen opschieten met instappen, want de trein blijft maar één minuut staan ! Dat was even duwen en spannend, maar exact op tijd vertrok de Shinkansen weer. De snelheid kan oplopen tot 300 km/u, soms zagen we snel een dal vol rijstvelden, om dan weer een tunnel in te duiken of achter een geluidsscherm te verdwijnen. Een stewardess komt binnen met een buiging, komt discreet langs met haar cateringwagentje, maakt weer beleefd een buiging en gaat naar de volgende wagon ! De trein is ook keurig netjes en rustig; telefoneren mag alleen in een speciale telefooncabine. Goedkoop is de Shinkansen niet echt, Michel vertrouwde ons toe dat deze rit al ruim 120 € per persoon kostte, maar je hebt dan wel wat, nietwaar ?!
En precies op tijd arriveerden wij in Osaka, waar de bus naar ons hotel ook al pietje paree stond !
Helaas betekende dat ook dat we afscheid zouden nemen van onze onvergetelijke Oka-san; we waren nu in de regio Kansai, hadden de regio Kanto verlaten, en een andere gids zou de begeleiding overnemen.
De volgende ochtend wachtte Tomóko ons op, een charmante dame met een fragiel figuurtje en een flinke bos zwart haar; zij zou onze gids zijn tot het einde van de reis. Ook haar Engels was goed, en zij nam ons mee naar haar eigenlijke woonplaats Kyoto, op een goed uur van Osaka. Osaka is een industriestad, met hardwerkende mensen maar weinig interessants te zien. Kyoto daarentegen was van 794 tot 1590 de officiële keizerlijke hoofdstad van Japan en deze stad was in tegenstelling tot de meeste andere Japanse steden tijdens de Tweede Wereldoorlog niet platgebombardeerd. Deze stad is dus nog redelijk “authentiek” en heeft ongeveer een kwart van al het Japanse cultuurgoed, waaronder ruim 2000 monumenten. De meeste andere steden hebben vrijwel geen authentieke gebouwen meer van vóór 1945.
We begonnen met een bezoekje aan één van de juweeltjes van deze stad, de Kinkaku Gouden Tempel. Het was er druk, veel Japanners hadden een lang weekend opgenomen en Kyoto is een geliefde bestemming. De veertiende-eeuwse tempel ligt in een mooi park en is in zijn geheel verguld. Met de weerspiegeling in de vijver lijkt deze zen-tempel bijna buitenaards mooi, de reden waarom een tempelbewaarder in 1950 in een vlaag van waanzin de tempel in brand stak. De tempel werd heropgebouwd en met 7 lagen bladgoud in 1987 weer aan het publiek getoond.
De volgende stop was de Ryoanji Zen-tempel, met daarin een van de beroemdste droge tuinen van Japan, de zogenaamde seizoenloze tuin, bestaande uit geraffineerd geplaatste rotspartijen en kunstig aangeharkt grint, ideaal om te mediteren en te genieten van de tijdelijke maar vergankelijke schoonheid van sneeuw, herfstbladeren, regen en wind.
De lunch was Japans-vegetarisch, omdat Kyoto vroeger te ver in het binnenland lag om verse vis aan te voeren. Veel onherkenbare hapjes, maar wel lekker.
Na de lunch reden we naar het Nijo-kasteel, een mooi paleis achter een stoere muur met gracht, gebouwd in 1600 in opdracht van de grote shogun Ieyasu Tokugawa; hij liet alle edellieden zwaar bijdragen aan de bouw van dit paleis. De schoenen moesten uit, en zelfs de onderkant van de wandelstokken werd consequent schoongeveegd. De meeste kamers zijn leeg, bedekt met tatami-matten, de muren bedekt met delicate schilderingen en houtsnijwerk. Meubels gebruikte men nauwelijks, hoogstens wat lage tafeltjes. De shogun had wat last van paranoia, had vele lijfwachten die vaak verborgen achter schermen over hun meester waakten, maar ging ook zo ver dat hij “nachtegaalvloeren” liet; houten vloeren die “piepen” als er iemand over heen loopt. Ook de tuin bij het kasteel is erg mooi.
Als laatste bezochten we de Sanjusangendo-tempel, een boeddhistische tempel uit de dertiende eeuw, met daarin een altaar van 118 meter breed, met daarin een groot beeld van de godin Kannon, geflankeerd door 1000 beelden van boddhistatva’s, allen bijna levensgroot, van verguld kamferhout en schitterend uitgewerkt, geen twee zijn er hetzelfde. Zeventig beeldhouwers hebben er jarenlang aan gewerkt, en de laatste zeven eeuwen is er niets meer aan veranderd. Hoe indrukwekkend ! De achterkant van de tempelhal werd gebruikt voor boogschietwedstrijden, meestal voor zenmonniken.
We hadden dus heel wat gezien in Kyoto, en er is nog veel meer !
Terug in Osaka zagen we in de straat achter ons hotel weer het moderne Japan, met veel winkels, restaurantjes (ook de populaire MacDonalds !) en heel veel speelhallen. Pachinko is de nationale verslaving van de Japanners; achter ons hotel lag een “pachinko-toren” van maar liefst 6 verdiepingen vól gokautomaten, die het midden houden van een flipperkast en een fruitautomaat De herrie binnen is letterlijk oorverdovend, en vele Japanners van jong tot oud werpen bijna mechanisch ijzeren kogeltjes in de automaten, manden vol ! Ze kunnen officieel geen geld winnen, maar wel tegoedbonnen of huishoudelijke apparaten, maar rond de hallen is een levendige “markt” met opkopers die betalen met keiharde pegels. De lol kon ik er niet echt van inzien, maar de Japanners zijn er dol op, velen zelfs verslaafd !
Bijna de voltallige groep ging mee op deze optionele halve-dagexcursie naar de eerste hoofdstad van Japan : Nara !
Vanuit Osaka was het een uurtje rijden. Uit oude Shinto-gewoonte moest na het overlijden van de afgezant des hemels, de keizer, de hoofdstad verplaatst worden, en moesten shintotempels elke twintig jaar “vervangen worden”. Heel omslachtig allemaal, vreselijk tijdrovend, en tijdens een heel moeilijke periode vol hongersnoden, ziekten en natuurrampen besliste keizer Shoma in 710 na Christus dat Nara de nieuwe en permanente hoofdstad zou zijn van zijn rijk. Men spiegelde zich aan de bloeiende Tangdynastie in China, die vanuit de hoofdstad van de zijderoute Xi’an regeerden en nauwe banden onderhielden met Japan. Nu er in Japan een permanente basis was, kwam er grote bloei in en rond Nara, met onder andere de introductie van nieuwe landbouwmethoden, het Chinese schrift, het boeddhisme, handel, wetenschap, bouwkunst, etc. Uiteindelijk verplaatste een keizerin in 784 de hoofdstad naar Kyoto, op aanraden van een Raspoetin-achtige waarzegger. Maar Nara bleef tweede hoofdstad en speelde dus een belangrijke rol in de Japanse cultuur.
Nara is nu ook een stad natuurlijk, maar wat wijdser opgezet, met grote parken en … waarschuwingsbordjes voor overstekend wild in het stadscentrum ! Volgens een legende uit de achtste eeuw verscheen een kami uit het lokale keizerlijke shintoschrijn op een hert aan de gelovigen; herten werden sindsdien uitgeroepen tot goddelijke wezens en goed beschermd. Officieel is die goddelijke status sinds 1945 opgeheven, maar beschermd zijn ze nog steeds en de lieve bambi’s weten dat maar al te goed ! Als heilige koeien in India struinen ze over de wegen, vreten plantenbakken leeg en maken het centrum van Nara onveilig. Er zijn nu circa 1200 loslopende herten in de stad, ze richten genoeg schade aan en worden steeds brutaler.
Wij bezochten als eerste de enorme Todaiji-tempel, oorspronkelijk gebouwd in de achtste eeuw met behulp van de hele bevolking; hoogstwaarschijnlijk is dit nog steeds het grootste volledig houten gebouw ter wereld. De tempel ligt in het Nara park, waar de herten helemaal vrij spel hebben. Men verkoopt speciale hertenkoekjes, een soort stroopwafels, maar wie die koopt kan zich ook verheugen op een hele kudde ongeduldige en zelfs brutale bambi’s om zich heen ! Ook tassen, papier of zelfs vingers zijn niet veilig; ze liggen op de loer en zien àlles !
Enfin, in de tempel worden ze geweerd. Er staat een gigantisch bronzen Boeddhabeeld, oorspronkelijk gegoten in de achtste eeuw, en weer een respectabel stuk vakwerk ! Ook de tempel zelf is immens en goed afgewerkt, bestand tegen aardbevingen en imponerend groot.
We vervolgden onze weg naar het oude keizerlijke Kasuga shintoschrijn. Ook hier wel wat herten, maar minder brutaal. Wat hier het mooist zijn, zijn de ruim 1800 stenen lantaarns, mooi bemost dankzij het vochtige klimaat; elke zichzelf respecterende familie moest een lantaarn schenken aan de tempel. Enkele keren per jaar worden er lichtjes in aangestoken. Prachtig, al die lantaarns in het groene bos. In de tempel zelf hangen ook nog bijna 900 bronzen lantaarns, eveneens geschonken. En we hadden weer geluk, er was een speciaal shintoritueel voor kinderen, bijna als en communiefeest; ze liepen trots rond in traditionele Japanse klederdracht !
Vandaag was een nationale feestdag, de verjaardag van de Meiji-keizer, en uitgeroepen tot dag van de Cultuur. Enkele musea in Nara waren gratis toegankelijk en dat wisten de Japanners ook, duizenden mensen stonden in de rij bij een museum voor keizerlijke schatten ! Het duurde dus wel even eer wij terug waren in Osaka, met een korte fotostop bij het heropgebouwde kasteel Osaka.
’s Middags moesten we de koffers afgeven voor het transport naar het volgende hotel, en we vulden onze vrije uurtjes met het rondneuzen in de grote warenhuizen, waar de kerstversiering al schitterde en kerstmuzak de sfeer bepaalde ! De winkelstraat stond volgepakt met duizenden fietsen. Een puber kwam uit een CD-winkel, gooide zijn nieuwe aankopen in zijn fietsmandje, en ging rustig ergens anders een winkel in ! Onvoorstelbaar voor ons, toch ?!
Vandaag reisden we van Osaka naar Hiroshima via het waterstadje Kurashiki, de “Dag der Treinen” zoals Michel het noemde. De zon scheen weer volop en we hadden er zin in. Met de Shinkansen reisden we eerst in 51 naar het 180 kilometer verdergelegen Okayama, waar we een boemeltrein namen naar Kurashiki.
De eerste indruk is bevreemdend; naast het station ligt een enorm pretpark in Europese stijl, een dochter van pretpark Tivoli bij Kopenhagen. Helaas is dit pretpark nagenoeg failliet. Te voet gingen we naar het oude centrum.
Kurashiki is een oud handelsplaatsje aan de monding van de Takahashi-rivier in de Seto Binnenzee, dat vroeger bekend was als een distributiecentrum voor rijst en keramiek, nu vooral al een soort “Japans Venetië”. Het is er rustig, er zijn enkele mooie kanaaltjes omzoomd met treurwilgen, in het water zien we kostbare koikarpers zwemmen, alles straalt rust en vrede uit. Een verrassing is een gebouw in de vorm van een Griekse tempel, dit is een museum van de rijke katoenspinner en kunstmecenas Ohara, met een rijke verzameling aan meesterwerken uit de Europese schilderkunst van onder andere El Greco, Monet, Matisse, Renoir, Gauguin, Kandinsky, etc.
We spraken af bij onze lunchplaats en ieder maakte een eigen wandelingetje door het stadje. Veel restaurantjes, kleine musea, keramiek- en handwerkwinkeltjes, maar ook authentieke straatjes met houten huisjes en tuintjes. Wat een rust ! De lunch was Europees : biefstuk ! In Japan wordt weinig vlees gegeten, dus het smaakte voortreffelijk.
Met twee treinen reisden we verder naar Hiroshima, van waaruit we te voet naar ons Grand Intelligent Hotel gingen. Van hieruit was het gemakkelijk te gaan dineren; hoewel bij ons de stationsbuurten meestal als onveilig en louche gelden, zijn de stations in Japan echte “gemeenschapscentra”, met supermarkten, restaurants, kapsalons, krantenwinkels, en nog brandschoon ook !
Mijn kamertje was niet groot, maar wel van alle gemakken voorzien, en er stond een grote televisie met uitsluitend Japanse zenders. Maar waar ik ook zapte, alles draaide om de presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten !
De bus reed voor, met weer een uiterst beleefde chauffeur met pet en witte handschoenen, en we gingen kennismaken met Hiroshima; de naam alleen al doet veel mensen rillen ! De stad is nieuw, schoon, over de brede delta van zes rivieren gebouwd, en het weer was weer schitterend. De eerste stop was de Shukkei-en Tuin, een zeventiende-eeuwse adellijke tuin, vlakbij het hotel. Een oase van stilte, rust en vrede, een grote vijver met een stenen bruggetje, kronkelende weggetjes tussen bomen en over heuvels, grillige stenen, mooie bemoste bomen, vogels en vissen, in de rivier achter de tuin stapten witte reigers rond … Zo idyllisch; wat schrokken we van enkele foto’s van deze zelfde tuin enkele dagen na de Ramp van Hiroshima : de atoombom …
Dat was een schok : we stopten naast het Genbaku-gebouw, het gebouw vlakbij de plaats (het hypocenter) waar op 6 augustus 1945. om 8.15 u., de atoombom Little Boy ontplofte. De dag die de wereld schokte ! Een vuurbal van 370 meter, een paddenstoelvormige wolk, kokende rivieren, een schokgolf die huizen deed instorten, een intense hitte en nucleaire straling zorgden voor een verwoesting van een stad, een vrijwel onmiddellijke dood voor 80.000 bewoners, en uiteindelijk bijna 222.000 slachtoffers …
Het Peace Memorial Park verlaat niemand onaangedaan. Vele monumenten herdenken de slachtoffers, zoals het monument voor de kinderen (het doodzieke meisje Sadako dacht dat ze beter zou worden als ze duizend origami kraanvogels zou vouwen), het monument voor de gestorven Koreaanse dwangarbeiders, de Vredesbel, de vlam voor de onbekende soldaat, en het koepelvormige gedenkmonument waarin de kist staat met de officiële lijst met de namen van de slachtoffers. Het museum laat gruwelijke beelden zien, schokkende vitrines en griezelige feiten. Door de schokgolf sprongen de ramen in Hiroshima, en vlogen de scherven moordend rond met een snelheid van meer dan 450 meter per seconde. De rivieren kookten. Gebouwen storten massaal in. Alles stond in brand. Vijf weken later werd Hiroshima ook nog eens getroffen door een uiterst zware tyfoon, die ook haar tol eiste.
Toen op 9 augustus 1945 een nog zwaardere atoombom op Nagasaki viel, moest Japan capituleren en was de Tweede Wereldoorlog officieel ten einde. Vele schoolklassen lopen stil door het museum en park.
Hiroshima werd na 1949 heropgebouwd als “Stad van de Vrede”, en herbergt nog steeds vele vredescongressen. De Japanse tekst op de gedenkcenotaaf luidt : “Rust zacht zielen, deze fout zal niet herhaald worden”.
Een beetje bedrukt reden we richting het eiland Miyajima, en stopten voor een bijzondere lunch : okonomiyaki ! Aan tafeltjes met een eigen bakplaat moesten wij onze eigen versie van de Japanse “boerenomelet” bakken, van eieren, spek, fijngesneden witte kool en kruiden, met een zoete curryachtige saus. Wel heel lekker en gezellig !
De ferry naar Miyajima lag al te wachten, een overtochtje van slechts 2 kilometer door de heldere zee, langs oesterbanken (dé specialiteit van Hiroshima), en scholen kwallen zwommen mee in het heldere water.
Miyajima is een van de heiligste plaatsen voor de shintoïsten; het werd vroeger als zó heilig beschouwd dat de leek geen voet aan wal mocht zetten, maar slechts op een soort pier mocht lopen om de goden te eren. Er zijn circa 2000 vaste bewoners op Miyajima, maar er mogen geen mensen begraven worden op het eiland en kinderen baren is evenmin toegestaan. Levende wezens mogen niet gestoord worden, en dat weten de inmiddels bekende herten maar al te goed. De heilige herten van Nara kunnen van deze uitgekookte zakkenrollers nog wat leren, wat een boeven ! Het knaloranje shintoschrijn is de moeite waard, maar veel aandacht gaat natuurlijk uit naar de oude toegangsroute over de zee, waarbij met onder een enorme torii-poort door kon varen. Nog steeds staat deze wereldberoemde poort tweemaaldaags bij vloed in het water.
We genoten van de rust, de zon, de zee, de leuke winkeltjes. Veel schoolklassen probeerden in hun abominabele Engels met ons te praten, maar het was heel duidelijk de Obama de volgende president wordt van de Verenigde Staten.
En zo gingen we onze tweede nacht in in Hiroshima.
Na ons indrukwekkende bezoek aan de stad van de gruwelijke geschiedenis, gingen we richting de stad van de vooruitgang, Kobe. Na een korte wandeling namen we weer de trein, onze laatste Shinkansen-ervaring, die ons in 59 minuten 250 kilometer verder afleverde, in de plaats Himeji. Vanuit het station konden we het schitterende kasteel al zien liggen.
Het Himeji-kasteel stamt feitelijk ook weer uit de 16 de eeuw, bedoeld om de eenheid van feodale Japan te bewaren, maar werd door de Meiji-keizer onteigend en op de veilig voor een habbekrats verkocht. Na een nodige renovatie in de jaren ’50, is dit wellicht het mooiste Japanse kasteel dat er nog is, hoog op een heuvel, goed onderhouden en ook drukbezocht. Op de parkeerplaats zagen we – oh hemel – tientallen bussen staan van een schoolreisje, en honderden studenten in uniform wurmden zich ook naar boven. Gelukkig kende Tomoko wat sluiproutes en wisten we de groepen een beetje te omzeilen. De toegangswegen waren opzettelijk chaotisch aangelegd, om de vijand in verwarring te brengen, en in doodlopende stegen te grazen te nemen vanuit verborgen schietgaten. Binnen moesten de schoenen uit, en klommen we trap na trap om vanaf de bovenste verdieping te genieten van een fenomenaal uitzicht. Enkele vitrines toonden oude samoeraiuitrustingen, en we begrepen dat de meeste samoeraikrijgers niet al te groot waren, ongeveer 1,60 meter.
Het kasteel diende ook voor vele filmopnames, onder andere de Bond-film “You only live twice”, “The Last Samurai” met Tom Cruise, Richard Chamberlain’s “Shogun”, veel Japanse films én videospelletjes. Maar het is ook schitterend ! Tussen de bronzen herfstkleuren bloeiden ook al enkele pruimenbomen.
De lunch genoten we in een lokaal hotel, een heerlijk gemengd buffet, was dat boffen !
We reden verder naar Kobe, een anderhalf uur, waar we een sakébrouwerij bezochten. Saké, de Japanse rijstwijn, is geeneens zo eenvoudig te maken. Door het ontbreken van suikers in de rijst, moet er een schimmel toegevoegd worden om het zetmeel om te zetten in glucose, anders ontstaat er geen alcohol. Saké wordt niet gedestilleerd, maar is een produkt van spontane gisting; na fermentatie en filteren blijft er een heldere, lichtzoete drank over van circa 17 % alcohol. In een winkeltje konden ze saké en sakétoebehoren kopen, en we kregen porseleinen sakékopjes als aandenken.
En zo arriveerden we in Kobe, een stad die een drie-eenheid vormt met Osaka en Kyoto, samen een agglomeratie van bijna 18 miljoen inwoners. Kobe was altijd al één van de meest internationale steden van Japan; in de zevende eeuw had men hier al ambassades, en in 1180 was Kobe enkele maanden lang de hoofdstad van Japan. Toen de Meijikeizer de grenzen opende voor buitenlanders, werd Kobe een van de meest internationale steden van het land, met zelfs een aparte buitenlanderwijk.
Maar de meeste mensen kennen Kobe natuurlijk van de zware aardbeving op 17 januari 1995, die de stad gedeeltelijk in puin legde en door het vroege tijdstip “slechts” 5000 slachtoffers eiste. De stad is razendsnel heropgebouwd, en buiten een enkel museum en monument, herinnert niets meer aan de ramp.
De haven werd weer op poten geholpen door zusterhaven Rotterdam. Een hele vooruitstrevende stad, die uit plaatsgebrek ook al een drietal grote, kunstmatige eilanden heeft aangelegd.
Ons hotel van de Tokyu Inn-keten lag ook hier centrum Kobe, vlakbij het metro- en treinstation en een gigantisch winkelcentrum. Zowel bovengronds als ondergronds is er labyrinth aan winkelstraten en restaurantgalerijen, levendig en druk.
Onze vrije dag in Kobe was dus gemakkelijk op te vullen, al schrokken we ’s ochtends even van de eerste regenbui van onze reis. De stad is te voet gemakkelijk te verkennen, voor wie dat niet wil is er een toeristische hop-on-hop-off-bus, die stopt naast het hotel. Kobe is ook geliefd bij Japanse toeristen. Van Michel kregen we een lijst met interessante plaatsen in Kobe. De Kitano-wijk moet je gezien hebben, dit is de oude internationale wijk. Het was even klimmen om er te komen, maar hier zagen we dan ook een heel ander “Japan”. Smalle straatjes met Europees aandoende huisjes, een moskee, een synagoge, een jaintempel, kerkjes, shintoschrijnen, en vele buitenlandse restaurantjes (van Italiaans tot Creools, Duits tot Jamaicaans). Er was een duidelijke voorkeur voor centraaleuropese bouwstijlen, met veel vakwerk, torentjes, zelfs Duitse namen. Er zijn twee “Holland-huizen” (“oranda-kan”), met een miniatuur molen er voor. Helaas was de entreeprijs zelfs voor Japanse normen hoog. Een van de huizen is het oude Nederlandse consulaat; de Japanse bedienden lopen in Hollandse klederdracht, en boven is er een souvenirwinkeltje met Delfts blauw, posters van Van Gogh, klompjes, … Het was ook hier dat de verkopers voor het eerst opdringerig waren ! De Kitanowijk heeft zelfs een eigen V.V.V.-kantoor, waar ze erg genereus zijn met folders maar helaas nauwelijks Engels spreken.
Vanuit de Kitanowijk kan je met diverse kabelbanen naar de top van de Rokkobergen, waar volgens de folders heuse alpenweiden en dito hotel-restaurants zijn, evenals een alpentuin, maar het was helaas erg mistig boven.
Afdalend richting haven – goed vindbaar dankzij de opvallende rode toren – kwam ik door de Chinese wijk, erg druk met Japanse toeristen, en oneindig lange luxe winkelgalerijen, meerdere verdiepingen hoog. Kobe is ook de modestad van Japan; de jongedames uit Kobe lopen er inderdaad tot in de puntjes verzorgd bij, minder slonzig dan elders in Japan. Heel veel (dure) boutiques, schoenwinkels, bodyshops, sokkenwinkels, interieurwinkels, parfumerieën, etc. Opvallend veel buitenlandse eetgelegenheden ook weer, met moeilijke buitenlandse namen, en zelfs banketbakkerijen ! Overal aangeprezen is natuurlijk het peperdure vette rundvlees uit Kobe, waarvoor je tenminste 400 € per kilo neertelt.
Bij de haven waren er vele gelegenheden om een rondvaart te maken, wat een deel van de groep ook met veel plezier deed.
Zo kwamen we uiteindelijk toch bij de vertrekdag ….
En … het regende pijpenstelen ! Wat hebben we geluk gehad met het weer, de groep, de gidsen, de mooie herfsttinten, alles !
We moesten ’s ochtends om 11 uur uitchecken, maar hadden nog ruim de tijd. Het motregende, toen ik naar het station wandelde. Ik vond een paraplu overbodig, maar toen ik bij een stoplicht wachtte, kwam een oudere Japanse snel naast mij staan en hield haar paraplu boven mijn hoofd ! Hoffelijkheid kennen de Japanners zeker nog !
Ik besloot een tochtje te maken met de monorail naar de twee grootste kunstmatige eilanden, wat op zich een heel aardige rit was. De eilanden zelf hebben voor ons toeristen minder te bieden.
In de monorail stond een knappe jongedame, authentiek in kimono, sokjes aan met een spleet voor de slippers, haren mooi opgestoken … maar ze luisterde naar een dure iPod en was geheel in beslag genomen door haar trendy blackberry ! Dit was voor mij hét levende voorbeeld van Japan; oude tradities naast moderne tijden, stoïcijns en zelfbewust !
In de regen reden we naar Osaka, over lange viaducten en bruggen, naar Osaka Kansai Airport. Onderweg namen we formeel afscheid van Michel en Tomoko, hoewel Michel mee terug zou vliegen naar Nederland. Ook deze luchthaven is immens, splinternieuw, op zee gebouwd en voorzien van moderne snufjes. We checkten in, konden onze Japanse yen terugwisselen, gingen door een strenge veiligheidscontrole, de douane stempelde onze paspoorten af, struinden even door de dure taxfreeshops en kochten met ons laatste kleingeld een laatste blikje Japans bier bij de vending machines. En zo gingen we een lange vlucht tegemoet, via de enorme taxfreezone van Hongkong, om ’s ochtends om half zeven te landen op Schiphol.
Japan is moeilijk te omschrijven. Hoewel de oude geschiedenis erg beïnvloed is door de Chinese cultuur, heeft het zelfgekozen isolement van bijna drie eeuwen een heel andere samenleving gevormd, met eigen normen en waarden, tradities en gewoonten. De inhaalslag na de Japanse renaissance en het aanvankelijke economische succes gaven de Japanners hun zelfvertrouwen terug en nationalistische gevoelens. Het is een volk met respect voor regels, hardwerkend, soms een beetje wereldvreemd. Maar op de meest onverwachte momenten blijkt dat ze heel aardig en menselijk kunnen zijn, ondanks de taalbarrière. Hoewel sommige aspecten van Japan voor ons bijna onbegrijpelijk zijn, kunnen we van dit volk ook nog heel wat leren !

Wilt u ook kans maken op een kadobon? Per kwartaal wordt de inzender van het mooiste reisverslag beloond met een kadobon.