

ma-vr: 08.30 - 17.00 uur
za: 09.00 - 14.00 uur
2e Pinksterdag: 09.00 - 15.00u

Gisteravond zijn we geland in Marrakech. Vanochtend gewekt door de oproep voor het gebed. We rijden vandaag naar Casablanca, en zien, op een afstand van 250 kilometer, al de enorme contrasten in dit land. Het landschap kleurt frisgroen, geel (koolzaad), oranje (goudsbloem) en in het begin vooral ook paars (?). Langs de weg mensen die wachten op vervoer, en ezelwagens met koopwaar op weg naar de markten waar we langs komen. Op sommige plekken liggen nog flinke plassen, vorige week is Marokko geteisterd door extreme regen- en sneeuwbuien. We passeren Settat, sterk verstedelijkt onder bescherming van Driss Basri, de gehate minister van Binnenlandse Zaken onder koning Hassan II. Aan het begin van de middag komen we aan in miljoenenstad Casablanca (3,5 miljoen inwoners). We lunchen, en zonnebaden, op een terras in de buitenwijk Anfa, aan de Corniche d’Aïn Diab, die op de schop ligt, projectontwikkelaars stampen hier resorts en hotels uit de grond. Een bus kinderen, op schoolreisje?, wordt getrakteerd op McDonalds. Na een fotostop voor de Moskee van Hassan II zoeken we ons hotel op, waar ooit ook Edith Piaf logeerde, in de buurt van Place Mohammed V, met de prefectuur, het gerechtshof en postkantoor. Ik fotografeer het ruiterstandbeeld van maarschalk Lyautey, die in 1912 het Franse gezag oplegde aan Marokko, en die Casablanca ontwikkelde. In deze wijk ook de Boulevard Mohammed V, “museum van architectuur”, met gebouwen in neo-Moorse, neo-klassieke en art-deco-stijl. Ik leg de indrukken van deze dag vast terwijl het buiten flink rommelt (regen en onweer). Koningssteden. Na het drukke Casablanca, en met morgen ook een drukke dag voor de boeg, zoeken we in Rabat een aantal rustige plekken op. We beginnen met de tuin van het Dar-el-Makzen, het koninklijk paleis. Een koninklijke employee, gehuld in witte djellaba, rode muts en gele slippers, loopt bijna mijn foto uit. De koninklijke garde draagt nog het rode winteruniform. Een prettige plek is ook de groene Chellah, hooggelegen achter een okergele muur, met de ruïnes van de graven van de Meridinische kaliefs. Overal hoor je het geklepper van de ooievaars die nestelen in de bomen en op de vervallen minaretten. Een stel Marokkaanse schooljongens wil mij voor een werkstuk/opstel fotograferen voor één van de maraboets, graftombes van “heiligen” die in de tuin staan. Na een bezoek aan het mausoleum van Mohammed V dwalen we vervolgens rond in de Oudaia-kasbah, met zijn Grieks aandoende, wit-blauw gekalkte huizen achter de okergele vestingmuren, en genieten van een glaasje muntthee in het Moors café. Door de vruchtbare Gharb-vlakte, de graanschuur van Marokko, rijden we de Midden-Atlas in. Ook hier nog veel water van de overstromingen van vorige week. Onderweg zien we kurkeik-bossen, met langs de wegkant truffelverkopers. Verder ook stapels eucalyptushout, voor houtskool. Later volgen olijfgaarden. Het eerst vlakke landschap, daarna heuvels en bergen, is schitterend, met allerlei tinten groen. De roze amandelbloesem is al bijna uitgebloeid. In de koningsstad Meknès drinken we koffie op een dakterras met uitzicht op de Place-el-Hedime, sinds een vorig bezoek inmiddels bestraat. We wandelen door de soeks van de oude medina, langs winkeltjes en werkplaatsjes. Er wordt druk gerestaureerd, en ik krijg van boven een emmertje puin over me uitgestort. Meknes groeide vooral uit tot koningsstad onder Moulay Ismail, een tijdgenoot van Zonnekoning Lodewijk XIV, die van Meknès het Versailles van Marokko wilde maken. Zijn mausoleum is één van de ster-attracties van de stad. Schoenen uit voor een bezoek aan de grafkamer! Na een wandeling door de heilige bedevaartplaats Moulay Idriss en de opgravingen van het Romeinse Volubilis rijden we naar Fès, waar we overnachten. Koningssteden 2- Fès. Vandaag zijn we de hele dag in Fès, de oudste koningsstad van Marokko. Na een kijkje bij de hoofdingang van het koninklijk paleis met zijn bronzen deuren wandelen we door de joodse wijk, de mellah, met huizen met houten balkons. Maar het grootste deel van de dag is voor eens stap terug in de tijd, in de oude medina Fès-el-Bali, waar je je nog in de middeleeuwen waant. Drommen mensen persen zich door de duizenden smalle straatjes en steegjes, waar het transport nog per ezel gaat. Bij de kreet belak, belak, moet je aan de kant om een zwaar beladen ezel door te laten. Ambachtslieden en verkopers zijn gegroepeerd, elk product heeft zijn eigen straat. Op een pleintje koop ik voor 3 dirham, 30 eurocent, een kilo sappige sinaasappels. Beroemd is vooral de leerlooierswijk. Vanaf de dakterrassen van de winkels met tassen en slippers zijn de kuipen met verf, waar de leerlooiers in staan, goed zichtbaar. Als je zo’n winkel binnengaat krijg je een bosje munt tegen de stank, die vandaag overigens meevalt. In een leren poef ligt een nest pasgeboren poesjes, de oogjes nog dicht. Ook de moeite waard zijn de oude medersa’s, de Koranscholen, ende oude herbergen, de laatste zijn nu vaak winkels. We eten de lokale specialiteit, een bstilla, pastei van filodeeg met kip en amandelen. De combinatie van hartig en zoet kan mij niet echt bekoren. Door de sneeuw naar de woestijn. Er ligt nog een dik pak sneeuw in de Midden-Atlas, vanaf wintersportplaats Ifrane tot na de Zad-pas. De groene cederbossen steken uit de sneeuw omhoog. Riviertjes en beekjes slijpen soms diepe dalen uit. Her en der verspreid lopen kleurig geklede Berbervrouwen. In de steenwoestijn rond Midelt staat, hoewel nog vroeg in het jaar, al een enkele Berbertent , van halfnomaden die hier hun kuddes schapen hoeden. Vanuit Midelt gaan we de Hoge Atlas in. De donkere bergen doen met enige fantasie denken aan olifantenpoten, maar soms roept het landschap ook herinneringen op aan het zuidwesten van de Verenigde Staten (Arizona). In Er-Rachidia gaan de scholieren net als in Nederland kennelijk op de fiets naar school? De weg naar Erfoud voert eerst over een nu groene hoogvlakte en dan door het rivierdal van de Ziz, met zijn oases met dadelpalmtuinen en uit leem opgetrokken versterkte dorpen, de ksoer (enkelvoud ksar). Langs de weg verkopen jongetjes uit stroken palmblad gevouwen kamelen. De Berbervrouwen zijn hier in het zwart met een kleurige rand. Na een korte nacht gaan we per four-wheel-drive en kameel naar de zonsopgang boven de zandduinen van Erg Chebbi. Het is vroeg en koud, maar ook een schitterende ervaring. Zo’n kameel is even wennen, na de eerste schrik gaat het wel, maar echt comfortabel zit ik niet. Op de terugweg naar Erfoud passeert ons een stoet bonte Renault R4tjes, die meedoen aan een rally, de 4L Trophy, een humanitair alternatief voor Paris-Dakar. Deelnemers nemen 50 kg schoolspullen mee om zo Marokkaanse kinderen te helpen. De zuidelijke oases. Wadi Todra en Wadi Dades. Voor Tinerhir passeren we één van de vele politiecontroles. Wat we eerder anderen zagen overkomen, gebeurt ons nu: 400 dirham boete, maar met 200 dirham kan het ook worden “geregeld”. Vanuit Tinerhir wandelen we de Todrakloof in, met 300 meter hoge, steile rotswanden. De betonnen weg doet afbreuk aan de imposante rotswanden. Over een weg met aan onze linkerhand het ruige berggebied Jbel Sarhro en rechts de met sneeuw bedekte toppen van de Hoge Atlas rijden we naar Boulmane de Dades, van waaruit we een stukje de Dades-kloof inrijden, met zijn plooien bedekt met geërodeerd kalksteen, de “hersenen van de Atlas”, of “apenvingers”. Voor dadelpalmen is het hier te koud. Vlak voor Boulmane stoppen we voor een bezoek aan de soek, de markt. Bij de groenten- en fruitstalletjes liggen bergen uien, mandarijnen, enzovoort. Daaruit zoek je zelf in een plastic teiltje wat van je gading is, en laat het dan afwegen. Voor 2 dirham, 20 eurocent, raap ik een teiltje mandarijnen bij elkaar. Door de rozenstad El-Kelaa M’Gouna rijden we naar het door schimmel aangetaste palmbos van Skoura. Hier liggen de mooiste kasbah’s van zuidelijk Marokko. We bereiken Ouarzazate, waar honderden films zijn opgenomen. Buiten de stad liggen enkele filmstudio’s. Kasbah Taourirt. In Ouarzazate ligt de Taourirt-kasbah. Ik dwaal door een doolhof van trappen en vertrekken, in deze 18e eeuwse kasbah van de Glaoui-clan. De grotere vertrekken hebben kleurige houten plafonds. Naast de ingang van de Taourirt-kasbah is een toegang tot de ksar, het oude versterkte dorp. We komen toevallig terecht bij de Zwarte Roos, La Rose Noire, een hotel in een oud huis met zeven traditioneel ingerichte kamers, gedreven door een coöperatie van vrouwen. Hier kunnen we thee drinken op het dakterras, van waar je een schitterend uitzicht hebt op de omgeving. Onze laatste nacht in Ouarzazate plenst het de hele nacht van de regen. Marrakech, la rouge. We zijn weer terug in Marrakech. Van Ouarzazate naar Marrakech zijn we de Hoge Atlas overgegaan, over de spectaculaire Tizi-n-Tichkapas (2260 meter). Tijdens die rit maken we op één dag vier seizoenen mee. Aan de zuidelijke kant van de Hoge Atlas ligt verse poedersneeuw, en daarna een dik pak sneeuw. De bewoners van de Berberdorpen zijn bezig hun daken sneeuwvrij te maken. Op de pas staat een ijzige harde wind, waarin ik me maar met moeite staande kan houden. Aan de noordkant van de Atlas liggen bruine dorpen op frisgroene hellingen. Begin van de middag bereiken we een zomers, zonnig Marrakech. In deze boeiende, maar af en toe ook gekmakende stad, zie, ruik en hoor je alles door elkaar. Dure auto’s en ezelkarren, gesluierde vrouwen, vaak met mobieltje, en pikante lingerie-reclame van Etam, alles bestaat hier naast en door elkaar. De drukte en hectiek van het legendarische, wel erg toeristische, centrale Jemaa el-Fna-plein, en van de soeks, met al zijn grote en kleine handelaren, en bedelaars, ontvlucht ik regelmatig door bezoeken aan rustiger plekken, groene oases in de stad, zoals de tuin achter de Koutoubia-moskee, de binnenplaats van het Bahia-paleis, en in de nieuwe Franse stad Gueliz (église) de Majorelle-tuin, begin 20ste eeuw aangelegd door de schilder Jacques Majorelle, gerestaureerd door couturier Yves Saint-Laurent. In de medina ontkomen we niet aan een bezoek aan een “herbaliste”, een kruidenwinkel, waar ik een middel tegen sinusitis koop. Het meest genoten heb ik van de roze-rode straatjes achter de poort Bab Agnaou, aan de zuidkant van de medina. Op de terugweg naar het hotel trotseer ik te voet, met versgepoetste schoenen, het drukke verkeer, waarbij vooral de fietsers en brommertjes overal doorheen schieten. Een gigantische stapel dozen met eieren op de bagagedrager is daarbij geen beletsel. Op mijn kamer lees ik het boek “Een straat in Marrakech”. De Amerikaanse schrijfster Elisabeth Warnock Fernea woonde begin jaren ’70 met haar gezin in de medina, en beschrijft haar “inburgering” daar. Veel van wat ze beschrijft is nog steeds herkenbaar en haar boek geeft ook een beter inzicht in, en begrip van de stad en van Marokko. Atlantische kust, Essaouira en Agadir. Met de zeewind door mijn haren flaneer ik over de boulevard naar de medina van Essaouira, het oude Mogador, een Portugese handelspost. Hier beleef je dan ook een heel andere sfeer dan in Marrakech, meer ontspannen, minder opdringerig. De kleine smalle straatjes van de medina liggen rond een aantal kaarsrechte, brede straten, het stadsplan is ontworpen door een Fransman, Cornut, die ook de versterkte stadwallen ontwierp. Het opschrift op een aantal kanonnen doet vermoeden dat deze van Hollandse makelij zijn. Bij de haven heerst de hele dag bedrijvigheid. Vissers voeren verse vis aan, en repareren hun netten en boten. Hier geen drukke stadsgeluiden of klepperende ooievaars, maar het gekrijs van de meeuwen. De vis wordt verkocht op de visafslag, en ook aan de havenkades en op de vismarkt. Naast de vissoek ligt de specerijensoek. Ik weer een handelaar af, die blijft aandringen dat ik naar zijn kleurige waren kijk, “pour le plaisir de les yeux”. Wel koop ik wat souvenirs van thujahout. De meubelmakers van Essaouira zijn beroemd om hun inlegwerk. Helaas is het Hollands weer, ’s ochtends houden we het nog droog, maar ’s middags staan de straten blank van de regen. We dineren in een 18e eeuwse Riad, Maison de Sud, waar we een heerlijke gebakken tong eten. De weg van Essaouira naar Agadir slingert zich eerst langs heuvels met arganiabomen. Deze bomen leveren de argania-olie, die gebruikt wordt in cosmetica en in de keuken. Toen ik hier tien jaar geleden was zaten de takken van de bomen vol geiten, die dol zijn op de blaadjes en vruchten, maar vandaag laten de geiten het afweten, in de bomen zit slechts een enkele geit. Het tweede deel van de weg biedt uitzicht op de Atlantische oceaan. Vanuit Agadir vliegen we terug naar Nederland. Bslama, tot ziens.

Wilt u ook kans maken op een kadobon? Per kwartaal wordt de inzender van het mooiste reisverslag beloond met een kadobon.