Skip navigation

Reisverslag: Drie onbekende juweeltjes

Door: Een tevreden reiziger 
Drie onbekende juweeltjes



Dag 1: Van Amsterdam naar Riga


Het is 12 juni 2009. Even wat vroeger uit de veren, om dan om klokslag 9 uur met onze eigen KLM noordoostwaarts te vliegen, een vluchtje van slechts een goede twee uur, naar de grootste luchthaven van het Balticum, de internationale luchthaven van Riga. Slechts één uur tijdverschil, en vlak na het middaguur landden we op Letse bodem. De aankomsthal van deze luchthaven was erg klein, met slechts twee bagagebanden of is de rest in verbouwing?
Bij de bagageband wachtte onze reisleider ons op, Michel Lebon, en konden we euro’s wisselen voor Letse lats (1 € = 0.67 LVL), desgewenst ook pinnen. Met onze behoorlijk grote groep, 40 personen maar liefst, vulden we de aankomsthal behoorlijk; samen gingen we naar buiten waar onze touringcar voor onze twaalfdaagse reis gewoon vóór de uitgang wachtte, met de Letse chauffeur Ritvars, een ontspannen begin van onze ontdekkingstocht.

Michel is duidelijk al vaak in de Baltische Staten geweest, heeft een passie voor het gebied en vertelde in zijn kenmerkende klare taal (met een Limburgs accent) over enkele praktische zaken als geld, kleding en programma. Een man die van duidelijkheid houdt, dat zou ook wel blijken.
De luchthaven ligt aan de westkant van Riga, op slechts 7 kilometer van de stad, maar onderweg naar ons hotel kregen we al een indruk van deze contrastrijke uithoek van Europa; houten huizen tussen oude sovjetblokken, veel lindebomen, brede boulevards… e n midden daartussen glanst een gloednieuw, kleurrijk gebouw : ons Elefant Hotel. Het is pas in september 2008 geopend, modern, met in de lobby een enorme witte replica van een olifant, natuurlijk ! Het inchecken ging snel, de knappe receptionistes spreken goed Engels, en we konden ondanks de vroege aankomst al snel naar onze gerieflijke kamers. Het hotel ligt wel een stukje van de binnenstad, maar Michel beloofde ons samen naar het centrum te gaan, met buslijn 53, die elke 10 minuten vertrekt. Voor 0,50 LVL (= 0,75 €) per persoon reden we met een grote groep in een harmonicabus naar de Esplanade, een soort langgerekt park langs de oude binnenstad. We stonden dan direct bij het indrukwekkende Vrijheidsmonument, een symbool van de Letten tegen het jarenlange Russische juk dat dit kleine volk moest dragen. Over de vele bezetters van de Baltische landjes zullen we nog veel meer te weten komen, zowel vroeger als nu.
Zo stonden we vrij onverwacht in de prachtige, gerestaureerde binnenstad van Riga; met Michel maakten we een oriënterende wandeling, langs schitterende Jugendstilgevels, gezellige pleintjes met terrasjes, door kronkelige straatjes en langs schitterende gebouwen uit vele verschillende eeuwen. Het is feitelijk dankzij het Eurovisie Songfestival dat de binnenstad doeltreffend gerestaureerd werd. Michel werd zelfs even geïnterviewd door een lokaal televisiestation over hoe wij Riga vonden en of we op de hoogte waren van de economische crisis in Letland.
Het was nog zonnig, en het was druk in het centrum. Veel jonge mensen op straat, ze profiteren van de korte zomer. Veel verschillende types, natuurlijk veel melancholische Slavische gezichten, de meisjes goed verzorgd, in minirokjes en met vaak geverfd haar, de jongens meestal cool-slonzig gekleed. Er wordt veel gerookt.
Inmiddels was het etenstijd geworden, en na een korte inspectietocht koos ik voor een van de door Michel aanbevolen eetgelegenheden, het Alus Seta (“Bierhuis”), vlakbij de Domkerk. Binnen serveert men typisch Letse kost met ter plaatse gebrouwen bier, in een etablissement met donker hout, volksmuziek en serveersters in klederdracht. Het Letse menu is best zwaar; veel aardappels, grote stukken mals varkensvlees, kapucijners, paddenstoelen in roomsaus, zuurkool, haring en donker roggebrood met een vleugje komijn erdoor. Het bier is voortreffelijk, in vele soorten in sympathiek grote glazen. Een stevige maaltijd kost er zo’n € 12 à 15, Riga is niet meer spotgoedkoop! Genoeg om met een volle maag de eerste nacht in te gaan!



Dag 2: van Riga naar Tallinn


Al vroeg rinkelde onze wektelefoon, want er wacht ons een druk dagje. Gelukkig was het ontbijtbuffet reden genoeg om er vroeg bij te zijn; veel soorten kaas en worst, zuivel, donker brood, zelfs ingemaakte haring en gerookte zalm, en natuurlijk sterke koffie. Op naar Estland ! Jammer, het regende pijpenstelen …
We verlieten Riga, reden noordwaarts, het is slechts 300 kilometer naar de Estische hoofdstad Tallinn. Na een goede anderhalf uur stonden we al bij de Lets-Estische grens, bij Ainazi, waar we wat geld wisselden. Voor één euro kregen we 15,50 Estische Kroon, dat wordt weer rekenen ! Het was de bedoeling dat zeker Estland al overgestapt zou zijn op de euro, maar door de sterke recessie is dit voorlopig uitgesteld tot 2012 of 2013.

In de stromende regen reden we langs de badplaats Pärnu, het Zandvoort van Estland.
Estland is niet groot, qua oppervlakte ongeveer even groot als Nederland, inclusief ruim 1500 eilanden en ongeveer evenveel meren, grotendeels vlak met een vochtige bodem en veel bossen, moerassen en veengebieden. Er wonen slechts 1,3 miljoen mensen, waarvan de helft in enkele steden. De hoofdstad heet Tallinn, gelegen in het noorden van het landje.
De Esten zijn een klein volk, dat zich tijdens de Grote Volksverhuizing hier vestigde; ze zijn verwant aan de Finnen en de Hongaren, koppige eenlingen die zich niet lieten verdrijven uit hun gebieden. En ze hebben moeten vechten voor hun land, tegen de Denen, de Zweden, de Letten, de Duitsers en de Russen; hun vrijheidsstrijd duurde uiteindelijk ruim een millennium !
Estland was al eerder onafhankelijk van de grootste bezetters, de Russen (sinds 1721 was Estland Russisch), van 1920 tot 1939. Maar toen bespraken Hitler en Stalin stiekem de “verdeling van Europa”, wat resulteerde in het Molotov-Von Rippentroppact : Rusland mocht het Balticum innemen, en Duitsland zou op voorhand de ruim 200.000 Baltische Duitsers naar Polen laten vluchten. Duitsland op zijn beurt zou Polen annexeren. Zo gezegd zo gedaan, de onverbiddelijke Stalin nam hardhandig de Baltische gebieden in, begon met grootschalige deportaties van de Balten naar Siberië en stuurde Russen in hun plaats. Maar Hitler kwam zijn belofte niet na en viel tóch de Baltische streken binnen, in 1941, op jacht naar de Baltische joden. De inwoners moesten maar kiezen tussen een Russische bezetter of een Duitse bezetter, inclusief hun respectievelijke schrikbewind … In juli 1944 “bevrijdde” het Rode Leger de Baltische volkeren, diegenen die niet konden vluchten of collaboreerden werden gedeporteerd of gedood, en de regio werd overspoeld door een golf Russen en hun russificatieprogramma. De Esten werden vreemden in hun eigen land, tot de dood van Stalin vrijwel rechtenloos.
Pas na 1987, toen Gorbatsjov’s perestroika duidelijk werd, begonnen de Esten zich georganiseerd te roeren en eisten meer rechten. Ze verzetten zich al zingend en dansend; volksliederen en volksdansen, klederdrachten, Estlandse poëzie, etc. Ook de Letten en de Litouwers verzetten zich verbeten zingend, bij gebrek aan eigen strijdkracht. Op 23 augustus 1989 vormden 2 miljoen Balten een ketting van ruim 650 kilometer van Tallinn via Riga naar Vilnius, ter gelegenheid van de vijftigste trieste verjaardag van het verraderlijke Molotov- Von Rippentroppact, gevolgd door de “Zingende Revolutie”, die in 1991 tot onafhankelijkheid leidde van de drie Baltische Staten Estland, Letland en Litouwen.

En zo bereikten we tegen een uur de Estische hoofdstad Tallinn, waar bijna geen druppel regen gevallen was en zowaar de zon voorzichtig door de wolken heen prikte. Onze lokale gidse heette Katrin, een blonde jongedame die ons welkom heette met het Estische equivalent voor hallo : “tere” ! In rad Engels vertelde ze ons over haar snel groeiende stad, die volgens een oude legende nooit mag verklaren dat ze voltooid is, want dan zal ze onder water lopen. We begonnen bij het oude sfeervolle stadsdeel Kadriorg, met nog voornamelijk houten huizen, majestueuze hoge linde- en kastanjebomen, een zwanenvijver en een tsaristisch paleis dat zó uit Sint Petersburg zou kunnen komen, het 18 de -eeuwse Kadriorg-paleis van Peter de Grote, nu in gebruik als museum en een gedeelte wordt bewoond door de Estische president.
Vervolgens reden we naar het oude songfestivaltheater, langs de kust, waar al decennialang volksliedjes ten gehore gebracht worden, het gezongen protest tegen de Russische bezetting.
Daarna werd het tijd voor wat beweging, en Ritvars reed ons naar de Toompeaheuvel, waarop de oude stad zich bevindt. Op de slanke hoge toren “Pikk Hermann” wappert de nationale vlag al sinds 1989, in de horizontale kleuren blauw, zwart en wit. Het officiële regeringsgebouw ligt er pal naast, en daar tegenover de Russisch-orthodoxe Alexander Nevski-kathedraal, hoog boven de stad. Ruim een kwart van de inwoners van Tallinn is nog Russisch, waardoor deze stad binnen de Europese Unie het hoogste percentage niet-EU-burgers herbergt. Iets verderop ligt de lutherse Domkerk, veel bescheidener, op een rustig binnenpleintje; de domheuvel bestaat voornamelijk uit stille, hobbelige keienstraatjes, historische huizen in pasteltinten en lommerrijke pleintjes met grote bomen. Vanaf een uitzichtpunt keken we over de “benedenstad”, die nog grotendeels ommuurd is en dankzij het Eurovisie Songfestival goed gerestaureerd. De hoge daken van de pakhuizen herinneren aan het succesvolle Hanzeverleden van Tallinn, lange tijd was deze stad het voornaamste handelscentrum tussen het Duitse en het Russische rijk. Gezellige, kronkelige straatjes met pastelkleurige huizen, rode daken, winkels met ambachtelijk handwerk en natuurlijk veel slijterijen. Op veel plaatsen zijn de straten nog geplaveid met ronde keien, wat soms vermoeiend lopen is.
Het Raadhuisplein, of Raekoja plats, is het centrum, met een hoge toren waarop poortwachter Toomas de wacht houdt over de stad. Er was een grote middeleeuwse markt, met houtsnijwerk, leer, handgebreide wollen kleding, ambachtelijke hammen en worsten, etc. Gezellig druk, ook veel Amerikaanse toeristen dankzij de grote cruiseschepen die graag aanleggen, maar beslist niet goedkoop !
Bij de bus namen we afscheid van Katrin, en we reden naar ons hotel Centrall, dat inderdaad heel centraal ligt, op 5 minuten wandelen van het oude centrum. Functionele kamers, schoon en eenvoudig.

Een uurtje later gingen we op eigen gelegenheid terug naar de oude stad om er een diner te zoeken. Het was er veel stiller, want de meeste cruisegasten gaan ’s avonds toch aan boord eten; de vele restaurantjes en terrassen zagen er verlaten uit. Enfin, na weer een stevige maaltijd werd het al frisser, en terwijl we naar ons hotel wandelden kregen we nog een flinke stortbui op ons dak. Ideaal slaapweer !



Dag 3: vrije dag in Tallinn


De zon prikte weer door de dunne gordijnen, de buien waren weggedreven, en een majestueus Scandinavisch ontbijtbuffet wachtte !
Michel had ons een keurige lijst gegeven met interessante bezienswaardigheden in Tallinn, en met een stadsplattegrondje kan je dan alle kanten uit. Ik wandelde in een half uurtje tijd naar het oude Kadriorgpaleis terug, het was nog heerlijk koel en de bomen geurden zoet. Het 18-de-eeuwse paleis van de Romeinse architect Michetti zelf is niet zo groot, maar er was een interessante tentoonstelling met oude Hollandse en Vlaamse schilderijen over “het goede leven”, wat een gelukje ! De sfeer in het paleisje herinnerde aan de paleizen in Sint-Petersburg, de tuin aan Versailles. Hoge bomen zorgen voor frisse lucht en schaduw, er zingen veel vogels, en het is duidelijk dat de natuur hier toch 2 of 3 weken achterligt op Nederland. Achter het paleis ligt sinds enkele jaren het sublieme KUMU Kunstmuseum, een futuristisch gebouw van de Finse architect Vapaavuori, met binnen een verrassend rijke collectie aan vooral schilderijen van Estische kunstenaars, heel erg de moeite waard.

Tallinn is nog heel wat andere kleinere musea rijk, het is heerlijk te dwalen door de Boven- en de Benedenstad, langs de stadsmuren, door de parken, een pot Sakubier te drinken op een terrasje, in de handwerkwinkeltjes te snuffelen, … Het toerisme wordt hier goed georganiseerd, vele tientallen jonge mensen van het lokale VVV-kantoor verkopen ansichtkaarten en souvenirs, en spreken vele talen vloeiend. Maar het is duidelijk dat de economische crisis ook niet aan Estland voorbij gaat, er zijn ook zwervers, de drankwinkels mogen slechts tot tien uur ’s avonds openblijven (om het dranktoerisme uit Helsinki in toom te houden), er zijn veel nachtclubs maar vooral ’s avonds weinig toeristen.



Dag 4: naar Tartu


Om 9 uur vertrokken we rustig naar de tweede stad van Estland, Tartu, ongeveer 200 kilometer naar het zuidoosten gelegen. De route leidde ons door bossen van berken en dennen, en op de open stukken stonden stoere taxushagen langs de weg, om de weg ’s winters zo lang mogelijk berijdbaar te houden. De mensen uit Tallinn zeggen grinnikend dat Helsinki voor hen gemakkelijker bereikbaar is dan Tartu.
Rond het middaguur kwamen we aan bij ons hotel Dorpat, gelegen vlakbij het oude stadscentrum aan de Emajögi-rivier. Onze kamers waren al klaar, ook weer Scandinavisch-functioneel.
Na een wandelingetje van 5 minuten bereikten we het Raadhuispleintje, met het zoetig-rose 18de-eeuwse stadhuis van de Duitse architect Walter, die er een internationaal tintje aan wilde geven met diverse West-Europese stijlelementen. Hiervoor staat symbool van universiteitsstad Tartu, het kussende studentenkoppel onder de paraplu. En paraplu’s waren nodig, want het begon hard te regenen.
Onze lokale gidse Elina diende zich aan, niet onopgemerkt, in een wijd middeleeuws Hanzekleed gestoken. Ze vertelde dat ze uit Finland kwam, maar meer dan tien jaar geleden verliefd geworden was op Tartu. Tartu, ook bekend onder de Duitse naam Dorpat, was een oude Hanzestad, maar werd pas echt bekend toen de Zweedse koning Gustav in 1632 de Academia Gustaviana oprichtte, de toendertijd Duitstalige universiteit. Zelfs tijdens de Russische bezetting bleef dit de enige Duitstalige universiteit van het Russische rijk, terwijl de studentenverenigingen juist de drijvende motor waren van de Estische nationalistische bewegingen. De Estische nationale vlag is feitelijk de vlag van de studentenvereniging uit Tartu, terwijl Tartu’s stadsvlag de roodwitte Poolse vlag is, een herinnering aan de Poolse bezetting in de 16de eeuw.
Nog steeds is deze universiteit heel belangrijk voor Estland, vele Estische politici vonden hier hun alma mater, en de voertaal is nu Estisch, hoewel er ook veel buitenlandse studenten zijn (de universiteit telt circa 17.000 studenten). Gepassioneerd vertelde Elina over “haar” universiteit, die zich ook uitstrekt over de Domberg; de eigenlijke domkerk is nu nog slechts een ruïne, maar er staan tientallen monumenten voor onder andere wetenschappers, een sterrenwacht, een wensboom, een oude offersteen, … Ze benadrukte ook de ijverige maar onverbeterlijk koppige volksaard van de Esten !
Eindelijk werd het weer droog, en wandelden wij door de rustige, pittoreske straatjes van Tartu, neusden wat rond in de kleine winkeltjes (beduidend goedkoper dan in Tallinn), en gingen langs de Emajögi terug naar ons hotel. Laatste nacht in Estland, morgen een lange dag !



Dag 5: terug naar Riga


Hè, de zon scheen weer boven Tartu, maar we moesten bijtijds op pad om terug te rijden naar Riga. Een prima weg leidde ons richting de grens, maar nadat we geruisloos de Estisch-Letse grens gepasseerd waren (de oude douanegebouwtjes staan er nog, verlaten), werd de weg beduidend slechter.
Letland is ongeveer anderhalf maal groter dan Nederland, heeft een afwisselend landschap met heuvels, meren, moerassen, bossen en bloemrijke velden. Bijna de helft van het land bestaat uit bos, en éénderde uit landbouwgrond, al is het niet gemakkelijk werken op deze venige, drassige grond. Letland is verdeeld in vier regio’s, te weten Lijfland, Koerland, Latgale en Zemgale, met elk hun eigenaardigheden, dialecten, tradities en bouwstijlen. De Letten schijnen afkomstig te zijn uit het oosten, kwamen circa 5000 jaar geleden naar dit gebied, handelden in barnsteen, en werden einde twaalfde eeuw “te vuur en te zwaard” gekerstend door de Duitse Orde, die Riga tot hun hoofdstad maakten. Heel wat godsdienstoorlogen werden er uitgevochten tussen de Duitse groepen missionarissen, terwijl de Letten zelf zich vaak afzijdig hielden. Maar met het geloof kwam ook de handel, en vooral Riga werd een voorname Hanzestad.
Toch is Letland veruit het armste land van de drie Baltische staatjes, wat onder andere zichtbaar is aan de toestand van het wegennet. Letland heeft ook het hardst geleden onder de russificatie van het land; toen de onafhankelijkheid in 1989 werd uitgeroepen, was slechts 52% van de inwoners van Letse origine, nu 58%. De Russen zijn nog overtuigend aanwezig, ondanks vele “maatregelen” van de Letten het hun oude bezetters zo moeilijk mogelijk te maken. Zo is de ingewikkelde Letse taal – verwant aan het Sanskriet - de enige landstaal, hebben Letse Russen (nu “statelozen”) geen stemrecht en mogen ze niet in overheidsdienst werken, en moet men voor veel banen een Lets taalexamen afleggen. Straatnamen zijn nu vrijwel exclusief in het Lets, “rusje-pesten” lijkt volkssport nummer één. Ironisch genoeg heeft de hoofdstad Riga een Russische meerderheid; slechts 41% van de inwoners zijn Lets.

In Riga aangekomen, checkten we in in het Europa Hotel, ook een prima hotel (van een Russische eigenaar !), aten een hapje en wachtten bij de opera op onze lokale gids Juris. Die bleek panne te hebben met zijn auto, zou een half uurtje later pas komen. Michel maakte van de gelegenheid gebruik ons te trakteren op de “Letse borrel”, de zwarte, stroperige bittere kruidendrank Riga Balzam. Tijdens een koude winteravond ongetwijfeld smaakvol en verwarmend, maar zo midden op de dag kon niet iedereen deze “smeerolie” bekoren, haha !
Juris arriveerde, en leidde ons gedreven en humorvol rond door zijn Jugendstilstad Riga.
Riga ligt aan de Daugavarivier, werd in 1201 gesticht door de Bremense bisschop Albert en werd een toonaangevende Hanzestad én christelijk bolwerk in een van de laatste heidense gebieden van Europa. Riga had in de 16 de eeuw zelfs kolonies, zoals Gambia ! Maar ook Letland werd zwaar op de proef gesteld in de twintigste eeuw, met beurtelingse invallen van de Duitsers en de Russen, jodenvervolging, deportaties, russificatie, onafhankelijkheid en de moeizame weg naar opbouw van hun land.

Aan de binnenstad van Riga is dat nauwelijks te zien, het is een schitterende binnenstad met vele mooie kerken, hele straten vol Jugendstilgebouwen, parken, terrasjes, … De oude sfeer hangt er nog steeds, met krijsende trams door de straten, rommelige hoekjes, oude woningen die nog zwart zijn van het stoken van bruinkool. Als herinnering aan de Russen markeert een oerlelijke, zwartgeschilderde betonnen blokkendoos het verder prachtige Herderplein, nu het Bezettingsmuseum. Het Latvija Monument, het vrijheidsmonument, is voor vele Letten bijna heilige grond, symbool van hun millenniumlange strijd voor onafhankelijkheid. Juris wist het allemaal met grote kennis van zaken over te brengen, al was het wel erg veel informatie ! Voor architectuurliefhebbers is dit een droomstad. Toch staan er ook nog veel karakteristieke houten huizen; volgens Juris waren ze projectontwikkelaars een doorn in het oog en “brandden ze gemakkelijk per ongeluk af”, maar volgens de laatste wetgeving mag een houten huis alleen maar vervangen worden door een nieuw houten huis.
Na deze marathon door de art nouveau-hoofdstad van Europa, smaakte een royale pot Lets bier heel goed, op een van de vele terrasjes.



Dag 6: van Riga naar Klaipeda


Vandaag ook weer een gevulde dag ! We vertrokken pas om 8.30 u, om de ochtendspits in Riga te vermijden, richting Kuldiga, slechts een 150 kilometer. Al snel nadat we de Baltische metropool achter ons lieten veranderde het landschap. De wegen werden stil, we reden langs graanvelden vól korenbloemen en margrieten, sappige weilanden waar ooievaars parmantig in rondstapten, langs houten boerderijen met boomgaarden, alles onder een aangenaam zonnetje. De landbouw loopt hier soms nog tientallen jaren achter op West-Europa, maar hier zingt de leeuwerik nog hoog boven de velden, bidt de torenvalk en roept de geelgors. Na een geïmproviseerde koffiestop, sloegen we af naar een smalle weg die ons een beetje de heuvels inbracht. In het plaatsje Sabile maakten we een korte stop. Sabile is de meest noordelijke plaats ter wereld waar men wijndruiven verbouwt, boven de 57 ste breedtegraad, al is de wijngaard slechts 2 hectares groot en de opbrengst klein. Een ander curiosum was het poppenparkje, aan de voet van de wijnberg. Bijna 250 met stro gevulde poppen zijn er gemaakt door mevrouw Dayna Kurcele, een complete dorpsgemeenschap met een postbode, een politieagent en zelfs een filmster ! Tegenwoordig helpen haar kinderen en kleinkinderen haar wel mee, en heeft ze Sabile bekendheid gegeven.
Zo bereikten we op een aangename manier het slaperige plaatsje Kuldiga, de geboorteplaats van onze chauffeur die graag van de gelegenheid gebruik maakte zijn ouders even te bezoeken. Kuldiga noemt men wel het “Venetië van Letland”, vanwege de Ventarivier, waarin de kronkelige Aleksupitebeek zich met een waterval van ruim 4 meter zich in de brede Ventarivier stort, die ook een 2 meter hoge en 110 meter brede waterval heeft. Voor de bescheiden Baltische normen is dat heel wat, en Kuldiga was vanaf de veertiende eeuw ook een Hanzestadje, met een hertogelijk kasteel, scheepswerven, baksteenovens en zelfs een joodse handelswijk. Nu is het een stil plaatsje met knusse houten huisjes, bruggetjes, een winkelstraatje, een beeldenparkje en een grote kerk.
Ruim een uur verder rijden kwamen we aan bij de grotere stad Liepaja, aan de Baltische Golf. Eerst reden we door de geheime Sovjetmarinehaven Karosta, een stad die twintig jaar geleden nog geeneens op de landkaarten stond. Van hieruit hielden Russische onderzeeërs Europa in de gaten en dit was een afgesloten enclave met barakken, lelijke flats, en vooral heel veel bewaking. Karosta gold bijna als “buitenland”, en iemand die er niets te zoeken had, kwam er pertinent niet in, deze stad was staatsgeheim ! Het ziet er ondanks de vele majestueuze bomen troosteloos uit, maar de grote Sint-Nicolaas Kathedraal is de moeite waard, en onlangs met giften van gelovigen gerestaureerd.
Michel leidde ons door het gezellige centrumpje van Liepaja, met leuke marktjes, kerken, en idyllische keienstraatjes met houten huizen en lindebomen. In een ateliertje zaten een tiental oude dames op grote weefgetouwen linnen te weven, een van de typische souvenirs van deze regio.
Maar we moesten nog verder, over boswegen waartussen we soms de Baltische Golf zagen blinken, tot aan de Litouwse grens die we zonder enige vorm van controle passeerden. We stopten even bij het luchthaventje van de badplaats Palanga, uiterst bescheiden, om er weer een nieuwe valuta bij te halen. De Litouwse litas is wat gemakkelijker rekenen; voor 1 € krijg je circa 3,4 litas.
En zo kwamen we in het derde land van onze reis, Litouwen !
Die avond sliepen we in een beetje afgelegen hotel in Klaipeda; gelukkig waren er vlakbij enkele grote winkelcentra met restaurantjes, voor ons eerste stevige Litouwse diner en bier !



Dag 7: Klaipeda en de Kuronische Schoorwal


Litouwen is weer een heel ander land dan de voorgaande, vooral de steden lijken behoorlijk Pools, er wonen ruim 3,5 miljoen mensen (de Russen vér in de minderheid), de meesten erg katholiek, het landschap is minder kleinschalig, de mensen lijken meer mediterraan en vooral de geschiedenis verraadt een heel andere achtergrond dan de lang onderdrukte Esten en Letten. Litouwen is eeuwenlang een grootmacht geweest in Europa, vaak samen met de Polen; in de 13 de , 14 de en 15 de eeuw was Litouwen het grootste vorstendom van Europa, van de Oostzee tot aan de Zwarte Zee. Litouwen vielen dus glorierijke middeleeuwen te beurt, een rijke rooms-katholieke traditie, wetenschap, handel en rijkdom. Hoewel het Litouws samen met het Lets de laatste Baltische talen zijn, verwant aan het Sanskriet, kunnen ze mekaar vaak nauwelijks verstaan; het Estisch is verwant aan het Fins en Hongaars en staat dus op zichzelf. De oudere Balten gebruiken indien nodig vaak nog het Russisch als lingua franca, de jongeren het Engels.

Vandaag gingen we naar een speciaal stukje Litouwen, de Koerse Schoorwal, een 98 kilometer lange smalle landtong in de Baltische Zee, die Litouwen deelt met de Russische enclave Kaliningrad. Met de veerboot staken we in 10 minuten de Kuronische Lagune over, en reden dan door dichte bossen richting het hoofdplaatsje Nida. De schoorwal is door mensenhanden beplant, omdat te vaak de zogenaamde wandelende duinen hun visserdorpjes bedolven; nu is de gehele schoorwal een beschermd natuurgebied en sinds 2000 ook Unesco Werelderfgoed.
Na een goed halfuur rijden kwamen we aan bij Nida, waar Michel ons graag naar het Parnidzóduin wilde rijden. Maar de wegwijzers waren er niet meer, alleen een klein bordje “muitené”, dat we noodgedwongen en op goed geluk maar volgden (de wegen zijn te smal), om dan plotseling … voor de Russische grenspost te staan !
Het smalle weggetje naar het duin toch gevonden, en van bovenaf hadden we een spectaculair uitzicht over de lagune en de Baltische Zee, de Russische grens en de “Vallei des Doods”. In deze zandige vallei bevond zich ooit een streng Sowjetstrafkamp en werden budget-woestijnfilms opgenomen, als goedkoop alternatief voor filmopnames in de Afrikaanse Sahara.
Nida is een klein en lieflijk vakantieplaatsje, langgerekt, met terrasjes, popperige kleurige huisjes met strooien daken, fietspaden, strandjes en souvenirwinkeltjes die uitpuilen van de lokale specialiteit : barnsteen. Samen met Klaipeda heeft Nida een voornamelijk Duitse historie, van de 15 de tot en met de 20 ste eeuw was dit gebied Duits, het Memelgebied. Voor veel Duitse schrijvers, dichters en schilders was dit een toevluchtshaven; de Duitse toeristen moeten natuurlijk een bezoek brengen aan het bescheiden vakantiehuisje van hun Nobelprijswinnaar Thomas Mann.
Interessant zijn de houten windvanen, die vroeger op de masten van de vissersschepen prijkten, waardoor men op grote afstand al kon aflezen wie er aan boord was, waar men vandaan kwam, of men ter plaatse wel visrechten had, en zelfs hoe de familie van de visser in mekaar zat ! Maar het leven was er hard, de visvangst niet altijd succesvol, dus at men als alternatief vaak … kraaien. Het lokale kerkhofje heeft nog een aantal tientallen oude houten “grafstenen”, die men gebruikte bij gebrek aan natuursteen.
Als lunch had men ons de Litouwse specialiteit “cepelinai” aangeraden, grote gevulde aardappels met room, spek of gehakt, een stevige, goedkope lunch ! Men zegt dat ze uitgevonden werden uit bewondering voor de zeppelin ?!
Hierna reden we rustig terug naar de veerpont. Onderweg stopten we bij een enorme aalscholverkolonie; bij de laatste telling waren er bijna 14.000 nesten geteld, en de omgeving was ook spierwit van de uitwerpselen. De naburige reigerkolonie telt ook ruim 600 nesten.
Bij het vakantieplaatsje Juodkranté (Duitse naam : Schwarzort) stopten we voor een leuke wandeling over de Heksenheuvel. Lokale kunstenaars hebben einde jaren ’70 tientallen volkssprookjes uitgebeeld in houten beelden, die langs een kronkelend pad door het loofbos zijn geplaatst; Michel vertelde op humoristische wijze enkele lokale sprookjes, een hele leuke wandeling !
We voeren terug naar Klaipeda, om nog even een kijkje te nemen in het “centrum” van deze Duits-Litouwse havenstad; helaas hebben diezelfde Duitsers in 1939 de stad grotendeels verwoest. Er zijn nog wat vakwerkhuizen te zien, wat oude pakhuizen bij het binnenhaventje en het oude theater, waarvoor het bekendste standbeeldje staat van Klaipeda, het beeldje van “Ännchen von Thurau”. De in Klaipeda geboren dichter Simon Dach schreef in de 17 de eeuw een lied voor de bruiloft van Ännchen met zijn beste vriend, waar ook heel wat jaloezie in doorklinkt. Helaas begon het stevig te regenen en we reden naar ons hotel. In het nabijgelegen winkelcentrum ligt een Litouws ketenrestaurant, Katpedelé, dat goede zaken deed : stevige Litouwse schotels en grote potten lokaal bier voor een aangenaam prijsje ! Het slapen kostte geen moeite !



Dag 8: van Klaipeda naar Kaunas


Vandaag geen lange rit, slechts een goede 200 kilometer reden we oostwaarts naar Litouwen’s tweede stad, Kaunas. Lieflijke landschappen, voornamelijk akkers, bossen en bloemrijke weides met ooievaars en leeuweriken, soms een moeras en nu en dan zeilde een kiekendief over. Het zonnetje maakte het aangenaam, het is soms moeilijk voor te stellen hoe bars de omstandigheden hier ’s winters moeten zijn.
Vlak na het middaguur kwam we al aan in Kaunas; de kamers waren in het pas gerenoveerde hotel Reval Neris nog niet klaar, maar we konden de koffers er opslaan en via een beetje vreemd tunneltje stonden we in nog geen twee minuten in het stadscentrum. De Vrijheidslaan is een schitterende autovrije laan van ruim anderhalve kilometer, met over de hele lengte twee perfect gesnoeide lindehagen, winkels, theaters, terrasjes en horecagelegenheden. Een vergelijking met de “rambla” in Barcelona dringt zich op, maar hier is het veel rustiger, relaxter. Een enorme Russisch-orthodoxe kerk staat aan het ene einde van de laan, die aan de andere kant uitkomt bij het raadhuisplein.
Onze gidse Dalija bracht ons eerst naar het schitterende 17 de -eeuwse Pazaislisklooster, een half uurtje buiten Kaunas, van de strenge Camaldulenderorde, in Italiaanse barokstijl. Dat verwacht je hier toch niet, en zeker niet de goed gerestaureerde fresco’s die vrijwel het hele interieur – inclusief de enorme koepel – bedekken. In de sovjettijd werd het toen beschadigde klooster gebruikt als psychiatrische kliniek.
Daarna terug naar de stad, waar Dalija ons het oude fort toonde, strategisch gelegen aan de samenloop van de rivieren Neris en Nemunas, waar ruim 1600 jaar geleden de rijke historie van Kaunas begon. Vlakbij ligt het Raadhuisplein, een lieflijk plein met een prachtig raadhuis, dat men liefkozend “de Zwaan” noemt, en waar momenteel huwelijken gesloten worden. Inderdaad, de bruidsparen reden bijna af en aan, meestal in dure limousines; flessen champagne werden ontkurkt, foto’s genomen, …
In het oude centrumpje zijn nog veel pittoreske maar hobbelige keienstraatjes met pastelkleurige huizen en veel groen.
’s Avonds was het nogal stil in de Vrijheidslaan; de economische crisis treft ook Litouwen ongenadig, met als gevolg dat er bijvoorbeeld steeds minder internationale vluchten aankomen in de hoofdstad Vilnius, en enkele weekenden hebben de horecaondernemingen eensgezind hun deuren gesloten als protest tegen de vele ontslagen in hun sector. Toeristen zijn er inderdaad ook weinig. De winkeliers proberen te bezuinigen door bijvoorbeeld de etalages niet meer te verlichten. Zo heeft de onafhankelijkheid voor een klein land al snel vérstrekkende gevolgen in moeilijke tijden.



Dag 9: van Kaunas via Trakai naar Vilnius


De zon scheen weer, een copieus ontbijtbuffet wachtte weer, en zodoende weer aangesterkt togen we verder oostwaarts, richting de Litouwse hoofdstad Vilnius.

Na een uurtje reden we door een prachtig bossen- en merenlandschap en arriveerden we bij Trakai, het vakantiegebied vlakbij Vilnius. In een heerlijk nationaal park, temidden van drie meren, ligt daar het historische slot Trakai, van waaruit groothertog Gediminas in de 13 de eeuw de Kruisridders tweemaal de opdringerige Kruisridders versloeg en een groot rijk stichtte. Ook zijn opvolger, groothertog Vytautas, verbleef graag in deze waterburcht en bezorgde van hieruit Litouwen een rijk van de Oostzee tot de Zwarte Zee. Het slot is te bereiken via een 500 meter lange houten loopbrug, met binnen een rijke expositie over de hoogtijdagen van Litouwen, de Russische bezetting, de “tweede nationale religie basketbal” en ook een zaaltje over de Karaïm. De Karaïm zijn van Turkse oorsprong, en zijn na hun bevrijding door Vytautas van de Mongolen meegetrokken naar Trakai, waar zij zich als dienaren van de groothertog mochten vestigen. Ze spreken nog steeds een Altaïsche taal, vermengd met veel Litouws en hebben een eigen religie, met elementen van zowel christendom als islam als jodendom; hun kerk heet “kenessa”. Naast deze Karaïm wonen er ook nog Tataren in Litouwen, die ook de bevrijder gevolgd waren, die een eigen soort islam belijden, vermengd met veel joods-christelijke gebruiken. Michel had ontdekt dat een van oorsprong uitgeweken Lipka-Tataar een beroemde filmster was; Karolis Buchinskis, ons beter bekend als revolverheld Charles Bronson.

We genoten van het heerlijke weer, vele bruidspaartjes, sterke koffie, water en bos, en vonden het bijna jammer dat we verder moesten naar Vilnius.
Ons hotel daar heette Reval Inn, en lag helaas ver buiten het centrum, tussen enkele grote winkelcentra. Gelukkig bracht Ritvars ons met de bus naar het centrum, we maakten een duidelijke tijd- en plaatsafspraak, en Michel nam ons mee op een wandelingetje door het centrum van Vilnius, de stad die dit jaar ook nog Culturele Hoofdstad van Europa is. Wat een andere stad, zoveel kerken ! Vilnius heeft een uiterst bewogen geschiedenis als handelsstad tussen oost en west, maar ook veel trieste momenten van snel opeenvolgende gewelddadige bezettingen en een vreselijke jodenvervolging. Tot begin 20 ste eeuw had Vilnius een van de grootste joodse gemeenschappen van Europa, werd ook wel het “Litouws Jeruzalem” genoemd; ruim 40 procent van de bevolking was toen joods. Slechts 5 procent van de Litouwse joden overleefde de Tweede Wereldoorlog.

De Litouwers zijn erg gelovig, voornamelijk rooms-katholiek, en het aantal kerken is legio, inclusief ook een aantal mooie Russisch-orthodoxe kerken. Op het centrale plein natuurlijk de classicistische Sint-Stanislavkathedraal met een prachtig barok interieur en de kapel van de Litouwse nationale heilige Sint Casimir, in de Poort van het Morgenrood de immer-aanbeden ikoon van de Moeder Gods (een unieke ikoon; de moeder Gods is afgebeeld zónder kind !), en vele andere prachtige godshuizen.
Boven de stad prijkt de hoge toren van de voormalige burcht van groothertog Gediminas, met de Litouwse geel-groen-rode driekleur; een geldverslindend en omstreden project van de lokale gemeenteraad heeft een replica van de oude benedenburcht laten herrijzen op het Kathedraalsplein. De Pilies gatvé, oftewel Kasteelstraat, is een gezellig straatje met straatmuzikanten, terrasjes, restaurantjes en winkeltjes met lokale produkten zoals barnsteen, linnen, handgebreide wollen truien en sjaals, aardewerk, houtsnijwerk, etc.
Vilnius heeft een meer “dorpse” uitstraling, gezellig en overzichtelijk, pastelkleurige kronkelige straatjes, pleintjes met bomen en een levendige bevolking, bijna een mediterrane sfeer !



Dag 10: Vilnius


Na een beetje chaotisch ontbijt in de te kleine ontbijtzaal reden we terug naar de binnenstad van Vilnius, met onze kordate lokale gidse Eimute, een Oost-Europese spraakwaterval. Natuurlijk stonden er veel kerken op het programma, zoals de Petrus en Pauluskerk, een 17 de eeuwse barokke kerk, ontworpen door Poolse en Italiaanse architecten, van binnen versierd met meer dan 2000 beeldjes in stucwerk, van engeltjes tot mythologische figuren, tot planten en dieren. Overweldigend, maar we moesten discreet zijn want de kerk zat bomvol voor de zondagochtendmis. Of beter, de zondagochtendmissen, want om de vele gelovigen – meer vrouwen dan mannen, maar zowel jong en oud – allemaal te kunnen dienen, zijn er maar liefst 5 missen achter elkaar ! Menig Nederlandse pastoor zou jaloers zijn op deze massale opkomst !
Daarna wandelden wij weer over het Kathedraalsplein, met een eveneens overvolle kathedraal, langs het presidentieel paleis waar sinds kort een vrouwelijke Litouwse president zetelt, Dalija Grybauskaite. Pal ernaast ligt de oude universiteit, in de 16 de eeuw gesticht door de jezuïeten, en lange tijd een toonaangevende universiteit in Oost-Europa, met bewogen historie, een enorme bibliotheek, een eigen sterrenobservatorium en vele bekende wetenschappers.
Vlak daarbij ligt de Sint-Annakerk, waar Napoleon Bonaparte – die de stad in 1812 “bezocht” - zodanig gecharmeerd van was dat hij dit bakstenen gotische kerkje wou meenemen naar zijn vaderland. Van alle kerken in Vilnius vond ik dit toch wat tegenvallen.
Via de Poort van het Morgenrood met de beroemde Madonna zónder kind kwamen we nog in de orthodoxe Heilige Geestkerk, met een interieur in bijna fluoriserende lichte kleuren, waar drie martelaren onder een doek onsterfelijk liggen te zijn, en bereikten we het Raadhuisplein. Van hieruit gingen we elk onze eigen weg, er is in Vilnius veel te doen binnen wandelafstand. Ik ging een kijkje nemen in een alternatief stukje Vilnius, de “Onafhankelijke Republiek Uzipis”, uitgeroepen op 1 april 2000, waar er vrijheid is om jezelf te zijn, “een hond een hond mag zijn”. Leuk bedacht, maar buiten enkele terrasjes langs de rivier en een souvenirwinkeltje met “republikeinse prulletjes” was het er stil en een beetje vervallen. Dit was ook de wijk waar de beruchte “IJzeren Felix” Dzerzjinksi lange tijd woonde, de oprichter van de gehate geheime dienst K.G.B.
Het Genocide Museum, of K.G.B.-museum, is dankzij de vele wegwijzers te vinden in een stille straat aan de rand van het centrum. Groot is het niet, maar wel indrukwekkend, het is verbijsterend te zien hoe men daar op gruwelijk eenvoudige manieren verdachten kon breken om de “Waarheid” te achterhalen; waterkelders, dwangbuizen, ijskoude isoleercellen, … en veel geduld. Nog dieper in de kelder lag een verborgen executieruimte, waarna de lijken gewoon op een centrale plaats gedumpt werden. Soms lagen ze daar dagenlang, omdat de familie hen niet weg durfde te halen … Niemand verlaat dit museum onaangedaan.
Een wandeling naar de Bovenburcht van het Gediminas Kasteel is heel wat aangenamer, een vrij steile klim over een hobbelig pad, maar met een prachtig uitzicht over Vilnius als beloning !
Vlakbij het Kathedraalsplein, op de brede Gediminasstraat, was een leuke lokale markt in verband met het komende Midzomernachtsfeest. Lokale muziek, grote vaten bier en kvass (een cola-achtige drank uit gegist roggebrood), bloemenkransen voor de meisjes, lokale lekkernijen (kaas, worst, honing, gebak), en natuurlijk heel veel handwerk. Ondanks hun actieve katholieke geloof lieten veel jonge meisjes zich de hand lezen en toekomst voorspellen door enkele dames met zwarte mantels en punthoeden !



Dag 11: terug naar Riga


Onze laatste nacht in Litouwen alweer, we vertrokken vroeg om terug te rijden naar Riga, via Siauliai en Rundale, nog twee juweeltjes !
Siauliai staat niet officieel in het programma, maar Ritvars en Michel maakten een omweggetje om ons nog iets bijzonders te laten zien. De route leidde ons over B-routes, langs wilde moerassen en vooroorlogse plattelandstafereeltjes en een koffiestop in een blokhutachtig café-restaurant, naar de Kruisberg van Siauliai. Een heel beroemd heuveltje, en als sinds 1831 hét symbool van Litouws verzet tegen de Russische bezetters; voor elk Litouws slachtoffer werd er een kruisje geplaatst, dat rigoreus door de Russen verwijderd werd. Maar vaak de volgende ochtend stonden de kruisjes er weer, en zo ging het jarenlang door. Zeker na de onafhankelijkheid plaatsten veel mensen er kruisjes, ook bruidsparen en jonge ouders, waardoor de heuvel en omgeving nu overdekt is met kruizen. Aan grote kruizen hangen vaak tientallen kleinere en er staat na het bezoek van paus Johannes Paulus II in 1993 ook een groot pauselijk kruis. Men vermoedt dat het aantal kruizen nu al rond de 100.000 moet liggen
Overigens is er in Litouwen geen “Russenprobleem” meer, aangezien alle Russen in Litouwen (ca. 8 %) begin jaren ’90 allemaal in één keer genaturaliseerd werden.
Na dit indrukwekkende bezoek reden we nog een laatste uurtje in Litouwen, waarna we bij Bauska weer Letland inreden.

In Rundale, in een prachtig groen land- en tuinbouwgebied, verraste ons een prachtig paleis : Pilsrundale ! De hertog van Koerland, Ernst Johann von Biron, kocht in de 18 de eeuw een landhuisje, dat hij door de Italiaanse architect Rastrelli (onder andere ook bekend van vele paleizen in Sint-Petersburg) liet verbouwen. Hoewel de geschiedenis turbulent was en het paleis vaak van eigenaar wisselde in de volgende eeuwen, is de familie Von Biron nu opnieuw trotse eigenaar van een uniek paleis in barok en rococostijl in zuidelijk Letland. De afgelopen jaren is er veel gerestaureerd, en de meeste van de 138 kamers zien er weer schitterend uit, met kostbaar meubilair en kunst ! Rondom het paleis ligt ook een heerlijke tuin, met fonteinen, een doolhof, rozenperken, fruitboomgaarden en … twee helikopters ! De hertog ontving schijnbaar prominente gasten. Tegenover het paleis lag een knus eethuisje en stonden enkele souvenirstalletjes met het obligate barnsteen, linnen en keramiek.
En zo bereikten we na een verrassende dag de Letse hoofdstad, voor onze laatste nacht.
Het was in het centrum echter opvallend stil, want veel Letten hadden de stad verlaten om Midzomernacht te gaan vieren buiten de stad, iets wat ze tijdens de Russische bezetting evenmin mochten. We aten nog een keer gezamenlijk een calorierijke Letse maaltijd, om zo onze laatste nacht in te gaan op Letse bodem.



Dag 12: Terug naar Amsterdam


Na een rustig en uitgebreid ontbijt kwam ons vertrek er toch echt aan. Ritvars haalde ons weer op, er werd officieel afscheid genomen van onze twee onvermoeibare begeleiders en we arriveerden weer bij de luchthaven van Riga. De luchthaven was onverwacht een beetje chaotisch; veel bordjes zijn wat vaag of soms ééntalig Lets, de veiligheidscontrole behoorlijk streng maar de taxfreezone is groot en best luxe. Je kan er betalen in Letse lats, maar ook in euro’s, er zijn koffiebars, veel winkels met drank en souvenirs, maar opvallend : géén verkoop van rookwaar !
Zo vlogen we om één uur stipt terug naar Amsterdam, waar we iets na half drie aankwamen.
Wat hadden we veel gezien en geleerd, wat een prachtige reis langs drie onbekende juweeltjes van landen in een uithoek van Europa ! Een aanrader voor de cultuur- en natuurliefhebbers !



Ook zin in vakantie na het lezen van dit reisverslag? Bekijk het reisaanbod naar Letland

Kadobon winnen?

Wilt u ook kans maken op een kadobon? Per kwartaal wordt de inzender van het mooiste reisverslag beloond met een kadobon.