

ma-vr: 08.30 - 17.00 uur
za: 09.00 - 14.00 uur
2e Pinksterdag: 09.00 - 15.00u

Ethiopië, een verbijsterende reis door een overweldigend land
Met wisselende gevoelens stonden we bij de incheckbalie van Ethiopian Airlines voor vlucht ET 707 naar Addis Abeba, via Rome. Ethiopië, is dat niet het land der hongersnoden, grensconflicten met bijna alle buurlanden, het land van de laatste keizer Haile Selassie ? Maar toch ook het land van de vele kleurrijke kerken, de Ark des Verbonds, de vreemde stammen met vrouwen met lipschijven, vele met uitsterven bedreigde diersoorten ? Vele vragen, vele verwachtingen en … we zullen het zien
De lange vlucht met Ethiopian zorgde voor nogal wat verrassingen. Zo was de catering bijvoorbeeld prima en zelfs overdadig, de crew heel aardig en attent. Op hun naambadges vielen de christelijke voornamen al op : Jerusalem, Bethlehem, Nazareth, Mariawork, Abraham, … Minder aangename verrassing was de enorme hoeveelheid “handbagage” die de passagiers mee in de cabine mochten nemen, vooral de Italianen die in Rome opstapten spanden de kroon door hardnekkig te blijven proberen grote koffers in de bagagevakken te persen. Na een beetje turbulente nacht dus, kwamen we om 7.30 u lokale tijd aan op Bole International Airport, in de Ethiopische hoofdstad Addis Abeba. Boven verwachting verliepen de douaneformaliteiten vlot en correct en bleek de luchthaven ruim, licht en opvallend modern te zijn.
In de aankomsthal maakten we kennis met onze nationale gids Assefa, een man met een schat aan historische bagage, wiens hoge schaterlach bijna het symbool van deze reis werd. We wisselden geld, Euro’s of dollars voor de Ethiopische munteenheid de birr; gemakkelijke koers, voor één euro krijg je ca. 10 birr, en Ethiopië blijkt een goedkoop land te zijn.
Tijdens ons ritje door de stad keken we nieuwsgierig naar buiten. Hoewel ons kleine groepje van 12 personen zeer bereisd is, is Ethiopië natuurlijk geen standaardland voor toeristen, de eerste indrukken blijven dan verrassend. Brede wegen, veel verkeer, wijdse pleinen, heel veel mensen op straat, gieren en wouwen in de lucht en de verwaarloosde plantsoenen, betonnen gebouwen, soms wat herkenbare internationale reclamepanelen, maar ook de vele bedelaars en de armoede kon ons niet ontgaan.
Het is nog vroeg, de hotelkamers zijn nog niet ter beschikking, dus we gingen eerst maar even koffie drinken bij de koffiebranderij Tomoca, voor 2 birr per kopje loeisterke koffie. Ethiopië is de bakermat van de koffie; de koffieplant stamt immers uit de westelijke provincie Kaffa !
Een flink deel van de stad bestaat uit militaire- of overheidsgebouwen en die mogen absoluut niet gefotografeerd worden. Assefa noemde dat “cameraphobia” en lachtte maar luid. We bezochten de eerste en zeker niet de laatste kerk, de Drievuldigheidskathedraal, waar de laatste Ethiopische keizer Haile Selassie uiteindelijk zijn laatste rustplaats vond, na zijn smadelijke afzetting door de marxistische beweging de Derg onder leiding van Mengistu, in 1974. Assefa leerde ons dat de Ethiopische Kerk, de zogenaamde Tawehedo-kerk een volstrekt onafhankelijke kerk is die ból staat van symboliek en een grote rol speelt in het dagelijkse leven. We zouden er nog heel veel van horen !
We konden ons even opfrissen in het Nationale Hotel, duidelijk een hotel uit de communistische tijd, met grote kamers die wel een opknapbeurt konden gebruiken. We besloten maar samen te gaan lunchen, in een typisch Ethiopisch restaurant. Dat was wel even schrikken; bij de ingang zat een dame verse koffie te branden, en ook binnen hingen er rookwolken van iets wat lokale wierook zou zijn. Om te toasten op het begin van onze ontdekking van Ethiopië bestelde Assefa tej (spreek uit “tedzj”), een knalgele honingdrank die echter allesbehalve zoet bleek te smaken. Gelukkig was er ook Ambo-mineraalwater, Dashen-bier en andere drankjes.
We aten uiteraard het lokale volksvoedsel injera, een enorme grijze, sponzige pannenkoek even groot als de tafel, gemaakt van de Ethiopische gierstsoort tef, een beetje zurig van smaak. Op de pannenkoek worden vele soorten kruidige currygerechten geserveerd. Je scheurt een stuk van de pannenkoek af en eet dan met de rechterhand de curries. Injera wordt steeds bijgebracht, opgerold ziet het er bijna uit als verbandzwachtels … Een kopje versgebrande, sterke koffie na en toen vroegen we de rekening die ons ook deed schrikken; nog geen 3 € per persoon.
We vervolgden onze stadsrondrit, van militair monument naar militair monument, langs vele “cameraphobia”-plaatsen, en gingen natuurlijk naar het Nationaal Museum, waar we het skelet zagen van “ons aller oermoeder Lucy”. Daarna bestegen we de Entotobergen. Addis Abeba ligt al op ca. 2500 meter hoogte en we stegen door dichte aangeplante eucalyptusbossen naar 3200 meter voor een uitzicht over de stad. De golfplaten daken schitterden in de zon. De uitgestrekte Merkato-marktwijk overweldigde ons wel, en vol indrukken reden we terug naar het hotel.
Naast het National Hotel ligt een behoorlijk grote “openluchtkerk” en we schrokken al snel van de luide oproep tot gebed die om 17.00 u klonk.. Dit bleek vanuit de kerktoren te komen, de kerk stroomde vol en de hele heilige mis werd met grote luidsprekers de ether ingestuurd, keihard, tot 20.00 u. Dit blijkt heel normaal in Ethiopië, ook de vroegmis wordt zo wel uitgezonden; op zondag duren de heilige missen de hele dag en de ware gelovige hoort de hele mis staande aan ! Daar moest ik toch maar niet aan denken en ging bijtijds naar bed.
De vrije ochtend gebruikte ik om een wandeling te maken naar het “centrum” van Addis Abeba. Er was weinig voor nodig om vast te stellen dat Ethiopië een straatarm land is, en dat er geen andere toeristen rondliepen. Het is dan ook geen echt aantrekkelijke stad, tussen al die verminkte bedelaars en bedelende kinderen voel je je niet prettig. Volgens ingelichte bronnen ligt het gemiddelde maandsalaris in Ethiopië rond de 80 €; in het zuiden daarentegen weet men nauwelijks wat geld is …
Tegen 15.00 u vertrok onze binnenlandse vlucht naar de 560 kilometer noordelijker gelegen stad Bahar Dar. Het inchecken verliep nogal chaotisch, de bagage werd meerdere malen streng gecontroleerd. Met een Fokker 50 van Ethiopian vlogen we in één uur naar Bahar Dar, over droge, troosteloze, ontoegankelijke bergmassieven.
We checkten in in het staatshotel Tana, dat er heel wat verzorgder uitzag, maakten een “stadsrondritje” door Bahar dar, met een mooie authentieke markt en kregen voor het eerst het Tanameer te zien, waar de Blauwe Nijl ontspringt Het hotel zelf ligt ook aan het meer, met een mooie tuin vol exotische vogels. We genoten van een dinerbuffet met een flesje Ethiopische Gouderwijn erbij, weer voor slechts enkele euro’s.
’t Was weer vroeg dag ! Ons cruisebootje kwam ons afhalen bij het hotel en we vertrokken al snel voor een flinke tocht over het Tanameer, te beginnen met een blik op de plaats waar de Blauwe Nijl – waar zoveel avonturiers eeuwenlang naar gezocht hebben – begint. Het meer ligt op 1830 meter hoogte, dus het was oppassen om niet te verbranden. We zagen kleine vissersbootjes van papyrus gemaakt en grote pelikanen dobberden als kleine slagschepen voorbij. Na een uurtje varen stopten we al op één van de 37 eilanden in het meer, het Zegwe-eiland, waar we door de koffieplantages naar het schitterende Ura Kidane Mihretklooster stegen. Assefa wijdde ons hier verder in in de tradities en geheimen van de beschilderde ronde kerken. Indrukwekkend, onze bijbelkennis werd flink getest, hoewel de Ethiopische kerk de bijbel vaak anders interpreteert.
De Ethiopische christenen zijn nogal fanatiek en er zijn opvallend veel overeenkomsten met het jodendom; men eet geen varkensvlees, gedurende de ongeveer 200 vastendagen per jaar eten ze überhaupt geen vlees, de mannen en meeste vrouwen worden kort na de geboorte besneden, de ronde kerken vertonen veel kenmerken van de joodse tempels, etc. Vele gelovige vrouwen laten uit overtuiging zelfs het heilige kruis op hun voorhoofd of op hun slapen tatoueren ! Anderzijds ontmoedigen zowel de kerken als de moskeeën het ongezonde roken, dus bijna niemand in Ethiopië rookt !
De hoeveelheid kerken in Hoog-Ethiopië (het christelijke gedeelte; Laag-Ethiopië is voornamelijk islamitisch) is enorm. In één kerk ervan wordt de Ark des Verbonds bewaard, een kist waarin volgens de overlevering Mozes’ stenen tafelen met de Tien geboden geconserveerd worden. Men beredeneerde dat je een boom het best kan verbergen in een bos, dus werden er duizenden kerken en kloosters gebouwd. Uiteindelijk belandde de Ark in de heilige stad Axum.
Ook op andere eilanden bezochten we beschilderde kerken, waar steeds de schoenen uitmoesten en hoofddeksels afgenomen dienen te worden. Fotograferen mag meestal wel, hoewel niet altijd eenvoudig in de donkere kerken; de priesters daarentegen laten zich graag fotograferen met hun bijbels en handkruisen. Een donatie wordt duidelijk verwacht.
We lunchten aan boord, kijken naar de vele pelikanen, meeuwen, eenden en soms een visarend, en verbrandden toch flink.
Na aankomst in Gorgora reden we nog twee uur over meest onverharde wegen naar ons Goha Hotel te Gondar. Ook hier weer een staatshotel van de Ghion-keten, de kamers leken als twee druppels water op ons vorige hotel, en het hotel lag ook weer hoog op een heuvel, uitkijkend over Gondar.
Een warme dag in Gondar. Al vroeg bezochten we de burchtheuvel, waar in de 17 de eeuw verscheidene kastelen gebouwd weren in een Ethiopisch-Portugees-Indische stijl voor de keizer Fasilades, die van Gondar de nieuwe Ethiopische hoofdstad maakte. Vliegen belaagden ons, gieren cirkelden boven ons hoofd. Het werd een interessante dag met veel kastelen en een gezellige injeralunch in een lokaal restaurantje. Slechts twee kerkbezoeken vandaag, en een indrukwekkende excursie naar Fasilades’ waterburcht. Deze was in volle restauratie in opdracht van de Unesco, maar op shockerend primitieve wijze. Een eindeloze stoet jonge vrouwen droeg op draagberries stenen uit de droogliggende gracht naar boven, in een geestdodend ritme. Twee sterke mannen zaagden dikke boomstammen in de lengte tot stevige planken; over één plank doen ze gemiddeld twee dagen ! We voelden dat deze arbeid(st)ers niet zo blij waren met onze verbijsterde blikken en vooral de vele camera’s.
Als laatste bezochten we het Falashadorpje Wolleka, waar nog Ethiopische joden zouden wonen, maar nog slechts één dame bleek een heuse falasha te zijn, tussen de souvenirstalletjes. Vermoeid keerden we terug naar het hotels, waar we ons het bier goed lieten smaken.
Weer vroeg uit de veren, om 7.00 u. verlieten we het hotel richting luchthaven, om verder te vliegen naar één van de hoogtepunten van deze reis : Lalibela. De vlucht duurde slechts een half uurtje, over een desolaat, ontoegankelijk berglandschap. In Lalibela is het droog en erg arm. We rijden over steile bergwegen en merken een aantal identieke kleine huisjes op met een dak van blinkende golfplaat. Een bungalowparkje ? Neen, volgens Assefa is het een nieuwe “stadswijk” van Lalibela, voor de beter-gesitueerden … We beginnen maar direkt met de eerste groep rotskerken; de wereldberoemde rotskerken van Lalibela zijn ingedeeld in drie groepen en uitgehakt onder leiding van koning Lalibela, in de tweede helft van de twaalfde eeuw. Een titanenwerk dat 24 jaar duurde, overdag door arbeiders, ’s nachts namen de engelen het werk over. Zo ontstond er een complex van 12 monolitische rotskerken, gerangschikt als op een kaart van het Heilige land. In de eerste kerk is het erg donker, we worden gewaarschuwd voor de eventuele vlooien in de tapijten (viel reuze mee) en onze ogen moesten wennen aan het duister. De priester is vriendelijk, toont ons weer zijn prachtige handkruis en bijbel, poseert in zijn mooiste gewaad, maar zet wel een zonnebril op tegen het flitsen van de camera’s, een gewoonte die vele collega’s van hem overgenomen hebben !Via donkere tunnels, veel trappen en smalle gangen gaan we zo van kerk tot kerk; steeds moeten de schoenen weer uit vóór het betreden van de kerk en staan ze aan de achteruitgang weer gereed dankzij de twee verplichte, behulpzame schoenendragers die ons begeleidden.
Op weg naar ons busje worden we wel lastig gevallen door steekvliegen en tientallen bedelaars en kindertjes.
We lunchten in ons Roha Hotel, weer een staatshotel met deze keer een beetje nors personeel en gaan om 14.00 u verder met groep 2 van de kerken. Ook hier moesten we weer flink klimmen, langs diepe afgronden en door donkere tunnels. Enige beveiliging langs de “gaten” is er niet.
De laatste kerk van de dag is de meest bijzondere, onze beloning : de Beta Ghiorgis-kerk ofwel de Sint-Joriskerk, die vertikaal uit de rotsen gehakt is in een kruisvorm, 11 meter diep. In grotten in de schachten liggen nog meerdere gemummificeerde lichamen opgeslagen.
Moe maar voldaan na een zware dag tussen vele kerken keren we terug naar het hotel. Door de droogte moesten we tot ’s avonds wachten eer er water uit de kraan kwam, iets wat we later op deze reis heel gewoon gingen vinden !
Weer vroeg op pad naar de luchthaven van Lalibela, van waaruit we met een Fokker 50 een uurtje noordwaarts vlogen naar Axum. Axum, ooit de illustere hoofdstad van een enorm rijk ten tijde van de Egyptenaren en de Romeinen, is nu nog slechts een stoffig dorp van enkele straten, dor en droog, met dromedarissen in de straten, wolken vliegen en weer een hotel van de ons inmiddels bekende Ghion-keten bovenop een heuvel. We lunchen er eenvoudig, met vriendelijk personeel. De lunches en diners zijn weinig gevarieerd : meestal tomatensoep vooraf, dan een vleesgerecht vaak in de vorm van een goulash met als garnering een worteltje en een aardappeltje, en als dessert een banaan. Er is weinig anders te krijgen, niemand moppert maar we lachen er slechts om. De sfeer in de groep is goed, veel humor en veel aanpassingsvermogen !
We bezochten het kleine archeologische museumpje, de beroemde stelae van Axum en de allesoverheersende ronde koepelkerk Maria van Zion, waarnaast het kapelletje staat waarin volgens de overlevering de Ark des Verbonds bewaard wordt, ontoegankelijk voor vrijwel iedereen. Ook staat er een soort kast met enkele keizerskronen, dat men trots “museum” noemt.
In Axum heb ik gelegenheid om even te Internetten en de buitenwereld te laten weten dat alles goed gaat. Immers, mobiele telefoons werken niet in Ethiopië, vanuit hotels telefoneren of faxen gaat ook slechts moeizaam en is erg duur. Soms zien we in een hotel CNN of BBCWorld opstaan en krijgen we een glimp van het wereldgebeuren door.
Vandaag staat de Maantempel van Yeha op ons programma, een vermoeiende rit over slechte wegen door een droge en bijzonder arme omgeving. Van de ooit zo voorname tempel staan nog slechts enkele muren overeind, en in het “museumpje” ernaast liggen kostbare bijbels en andere manuscripten slordig in een kast. Onderweg zien we nog een klein betonnen monument voor de gesneuvelde Italiaanse soldaten die bij de Slag van Adwa in 1896 door de Ethiopiërs in de pan gehakt werden. Inderdaad is Ethiopië erg trots op haar onafhankelijkheid, alleen de periode van 1935 tot 1941 werd Ethiopië kort bezet door de Italianen onder leiding van Mussolini.
De namiddag bekeken we vele andere monumenten in de omgeving van Axum,, vaak slechts enkele stenen, voor archeologen wel interessant, zoals enkele koninklijke graftombes, de Ethiopische “Stenen van Rosetta”en de reconstructie van het paleis van de legendarische Koningin van Sheba.
Assefa heeft een verrassing voor ons in petto. Deze ochtend is er de unieke gelegenheid een processie bij te wonen waarbij een replica van de Ark des verbonds door Axum rondgedragen zal worden. De processie begint om 5.00 u, dus om 4.30 u opstaan. Het is erg fris, het licht doet het niet, gelukkig is het volle maan, en we beginnen serieus te twijfelen of dit geen grap is. Het is doodstil buiten, volle maan, af en toe blaf in de verte een hond. Maar Assefa komt stralend met een bundel kaarsen (gemaakt van dikke lonten en dierlijke vetten), en in het dorp klinkt een handbel. We dalen af en beginnen te geloven dat er écht iets gaat gebeuren. En warempel, de deuren van de kapel gaan open, bij spaarzaam licht verschijnen er enkele priesters in prachtige gewaden, ze dragen kostbare processiekruisen en parasols als symbool van het firmament, én de Ark des Verbonds. Devoot kijkend en bescheiden volgen we de stoet van gelovigen, mannen bij mannen, vrouwen bij vrouwen, allemaal gekleed in witte mantels, met kaarsen in de hand, naar de plaats waar ooit de keizers gekroond werden. Wij verlieten de processie en wachtten de Ark weer op bij de stelae, waar de groep gelovigen inmiddels aangegroeid is tot enkele duizenden personen, intens biddend lopend achter de priesters, een lange witte stoet bij kaarslicht.
Vanuit Axum vlogen we via Lalibela en Gondar terug naar Addis Abeba. De veiligheidscontrole in de luchthaven van Axum was erg streng in verband met de nabijheid van de grens met Eritrea, ooit een belangrijk deel van Ethiopië omwille van de toegang tot de Rode Zee en de olieraffinaderijen dat zich in 1993 onafhankelijk verklaarde. In Addis Abeba begint een heel ander deel van onze reis : Zuid-Ethiopië !
Vanaf nu gaan we per landrover omdat verharde wegen al snel tot de “zeldzame luxe” gaan behoren. Prima landrovers, niet nieuw maar goed onderhouden door vriendelijke, deskundige chauffeurs. Gelukkig maar, want er breekt een erg vermoeiend deel van onze reis aan.
De snelweg naar het zuiden is druk, heel chaotisch, men rijdt hard en ook vee en wandelaars maken graag gebruik van deze weg. Er reed ons zelfs een ezelwagen tegemoet, zónder begeleider ! Op de telefoonpalen zitten arenden en gieren, en kleurige bijeneters. We waren slechts 20 kilometer buiten Addis en we zagen nog uitsluitend ronde hutten van leem en stro, het prototype negerhut, waarbij de “rijkeren” zich onderscheiden met een dak van golfplaat.
Veel mogelijkheden om te stoppen zijn er niet, zeker niet als je hoopt op acceptabele, liefst Europese toiletten, dus die gelegenheden grepen we graag aan. We maakten nog een korte stop aan de oevers van het Langanomeer waar het stikte van de vogels; manshoge, lelijke maraboe’s kijken je van op enkele meters grijnzend aan, er zwommen pelikanen, eenden, er zwermden sterntjes … en tientallen haveloze kindertjes die bedelden om een birr.
Maar 270 kilometer in Ethiopië is geen sinecure, ook niet over de onverlichte “snelweg”, en de laatste 50 kilometer legden we af in het aardedonker, waarbij ezelkarren, vee en andere weggebruikers voor ons opdoemden. We spraken af het rijden in het donker zoveel mogelijk te beperken.
Ons hotel Wabi Shebele is feitelijk een oud bungalowpark, zeer spaarzaam verlicht, en het restaurant lijkt wel een jaren ’60 padvinderslokaal, maar uiteindelijk bleek dit hotel zo slecht nog niet, er was bijvoorbeeld warm douchewater, een luxe die we vanaf nu vaak moesten ontberen …..
Om 5.30 u werden we gewekt, buiten was het nog donker. Na een eenvoudig ontbijtje (witbrood met eieren) gingen we bij zonsopgang op weg richting Arba Minch, circa 300 kilometer zuidelijker over slechte wegen, maar keken eerst even bij de lokale vismarkt, waar maraboe’s, pelikanen en visarenden geduldig hun portie afwachtten.
Het werd warm, de groep werd moe en we besloten om naar het Dorzeplaatsje Chencha te rijden, omhoog via een 14 km lange, steile bergweg. De Dorze zijn een volk dat hun huizen “bouwt” van een dik soort riet. Eigenlijk kan je het beter vlechten noemen, de huizen zijn een soort grote, omgekeerde “manden” van soms 12 meter hoog, waarin mens en vee samenleven. We mogen enkele huizen bezoeken en staan versteld van de eenvoud waarin deze mensen leven. De Dorze zijn ook befaamde wevers en we kunnen handgewezen lappen kleurige stof kopen, met opvallend vaak de Ethiopische nationale kleuren groen – geel – rood erin verweven; de Ethiopiërs zijn een trots, vaderlandslievend volk. We leerden ook de ensete kennen, de zogenaamde “valse banaan”, inderdaad een plant die veel lijkt op de bananenplant maar veel groter wordt. De lokale bevolking schaaft het merg uit de stelen, begraaft het om te fermenteren en kan het dan bakken als platte broden. We kregen een demonstratie van de vrouw des huizes, het gefermenteerde mengsel stinkt ontzettend maar blijkt een voedzame doch smakeloze “koek” op te leveren.
Ons Swaynes’ Hotel ligt aan de rand van de oude krater waarin het Abayameer ontstaan is. Een verademing, een soort bungalowpark met mooie kamers, vriendelijk personeel, warm water én licht en een prima restaurant. We genoten van het uitzicht en de vele tamme vogeltjes, en na een aangenaam diner volgde een heerlijke nacht.
Dieper naar het zuiden trokken we, over slechte wegen door dorre streken, richting het plaatsje Konso. Konso wordt bewoond door het gelijknamige volk, dat zich gespecialiseerd heeft in het aanleggen van terrassen ten behoeve van de landbouw. Ze verbouwen er tef, katoen en yamswortels. Een vriendelijke lokale gids vertelde ons over de gewoonten van het Konsovolk, onder andere het respect voor de ouders en elkanders eigendom, het strenge verbod op seks voor het huwelijk en de lokale feesten. Een tijdrekening heeft men nauwelijks, men telt slechts in generaties. Een vermeende dief wordt ter verantwoording geroepen op een heilige steen op het dorpspleintje. Hij moet zijn onschuld zweren op de heilige steen; als hij liegt komen er volgens de Konso’s ziekten en onheil over hem en zijn naasten.
We bezochten het dorpje, omringd door weer tientallen haveloze, opdringerige kindertjes die ons handgemaakt speelgoed willen verkopen of voor 2 birr willen poseren voor een foto. Erg druk is het in de smalle paadjes, maar we zien wel een bijna prehistorisch dorpje waar elektriciteit en stromend water nog onbekend zijn. De mensen leven in stevige hutten van hout en leem, met ook een hoog hek rond hun binnenplaats. We zien meerdere kindertjes met dikke buikjes door het eenzijdige dieet.
Verbijsterd over dit leven maar ook de hardnekkigheid van de kinderen reden we de loeihete Weytovlakte in, waar we in het enige lokale “restaurant” eenvoudige injera konden eten.
Onze volgende stop was een dorpje van de Tsemaystam, die in ronde lemen hutten wonen, heel ruim, geiten hoeden en ook smeken om (betaalde) foto’s. De meesten zijn vrouwen of meisjes, hebben hun haar in ingewikkelde patronen gevlochten, lopen bijna allemaal topless en dragen kaurischelpjes als versiering. Een dame van ons groepje wil een jongetje met een vreselijk ontstoken kaak stiekem een knuffelbeertje geven. Ze doet het heel heimelijk, maar het brengt paniek te weeg. Speelgoed kennen de Tsemay niet en het kleine gele beertje boezemde hen angst in ! Wát een andere wereld !
In Jinka, de hoofdstad van de Zuidelijke Provincies (officieël de Zuidelijke Naties, Nationaliteiten en Volkeren), zouden we één nacht verblijven in het Goh Hotel, een verzameling trieste betonnen bunkers, en gelukkig één nacht in het comfortabelere Jinka Resort. Tja, als hoofdstad van het zuiden is Jinka wel heel erg achtergesteld tegen over de ontwikkelde noordelijke provincies Amhara en Tigray. Jinka kent geen meter asfaltweg, vaak dagenlang geen water of elektriciteit en is feitelijk een stoffige, trieste plaats, maar wel dé uitvalsbasis naar de zuidelijke volkeren voor de toeristen die er komen. Die betalen dan vaak ook hoge prijzen voor hun karige overnachting en maaltijden, maar bijna alles moet hier aangevoerd worden vanuit Addis Abeba. Na 22.00 u gaat overal het licht uit, behalve bij enkele gelukkigen die een (duur) eigen aggregaat hebben; zaklampen, batterijen en kaarsen zijn hier heel wat waard !
Weer een ongelooflijke dag ! Vanuit Jinka, na ontbijt bij kaarslicht, gaan we op weg over uiterst belabberde paden naar het Nationaal Park Mago voor een ontmoeting met de Mursi-mensen. Murw geschud in de jeeps kwamen we na bijna 3 uur rijden aan in het park, het was bloedheet en droog, en Assefa en zijn chauffeurs waren op hun hoede. Al snel benaderden zwarte, naakte mannen, beschilderd met as onze jeep, ze schreeuwen en kijken best wel aggressief. We reden door naar hun “dorpje”, een verzameling strooien hutjes, waar de vrouwen en oudere mannen ons opwachtten, ook grotendeels naakt, met as beschilderd, versierd met tanden van het wrattenzwijn of stukken metaal. De vrouwen doen hun lipschijven in, waarom ze zo bekend zijn. Rond de pubertijd snijdt men de onderlip bij de meisjes horizontaal los en rekt die langzaam, eerst met stokjes, later met steeds grotere “bordjes”. Als ze de schijf niet in hebben, hangen hun onderlippen erbij als een elastiek. Door het dragen van die schijf, om nog steeds onopgehelderde redenen, missen de meeste vrouwen meerdere ondertanden. Een beetje angstig toch staan wij bleekneuzen bij mekaar, goed gewaarschuwd door Assefa, en maken foto’s. Daar gaat het ook om, ze zijn erg opdringerig, grijpen alles en iedereen vast en eisen natuurlijk geld voor de foto’s. Zelfs de – onzichtbare – baby op de rug moet beloond worden ! Ergens is het wel begrijpelijk, deze mensen hebben tegen hun zin het toerisme opgedrongen gekregen. Het begrip “diefstal” kennen ze niet, ze pakken gewoon wat ze nodig hebben; oppassen dus ! Hun taal is nog steeds een raadsel voor de deskundigen, Amhaars spreken ze niet, alleen de Engelse woorden “water, two birr, photo”. Als enige souvenir verkopen ze natuurlijk lipschijven, à 5 birr per stuk. De sfeer is niet vriendelijk, of lijkt dat maar zo ? Het zijn vooral de jongemannen die erg onberekenbaar zijn als ze niet krijgen wat ze willen. Ze zijn dol op lege waterflessen, om mee te nemen als ze het vee hoeden. Ergens waren we opgelucht als we 20 minuten later wegrijden, heel wat birr achterlatend, en overdonderd !
’s Middags gaan we op pad naar het plaatsje Key Afar, hoofdplaats van de vriendelijke Benna-mensen (of “Hamer”). Dit glimlachende volk draagt pagekapsels van vlechtjes, die ze met klei rood verven, zowel mannen als vrouwen. Om hun kapsel te beschermen, gebruiken ze een houten neksteuntje bij het slapen, dat ze altijd bij zich dragen. Op de wekelijkse markt kreeg ik begeleiding van Aron, een jonge student die goed Engels sprak, en me een hoop vertelde over het Benna-volk. Het zijn vriendelijke, zachtmoedige mensen, veehoeders en landbouwers, en één man kan tot vier vrouwen trouwen; hun status is af te lezen aan hun halssieraad. Ze zijn meestal christelijk. Op de marktdag wordt een deel van de winst al gezellig samen gedronken in hun tej-lokalen; ook ik ging er discreet binnen en werd nauwelijks opgemerkt. Heel surrealistisch, zittend tussen zingende en drinkende mensen die door hun gelijke kapsels heel veel op mekaar lijken, en met hun sprekende ogen en glimlachende monden vriendelijkheid uitstralen ! Iemand liet mij een flesje zoete tej brengen. Fotograferen deed ik niet, om de betovering niet te verbreken.
Een heel verschil met de ervaringen van die ochtend
We verlieten Jinka, terug naar Arba Minch, eigenlijk begon vandaag al een beetje onze terugreis. Gelukkig wisten we dat we in Arba Minch weer in het Swaynes’ Hotel zouden slapen, dus hoogstwaarschijnlijk én licht én warm water zouden hebben, een heerlijk vooruitzicht !
Die middag reden we naar het Nechisarpark, een van de vermaardste wildparken van Ethiopië. De wegen waren weer heel slecht en steil, maar we werden getracteerd op mooie uitzichten over zowel het bruine Abayameer en het blauwe Chamomeer, zagen een flink aantal krokodillen, een enkel nijlpaard, maar verder was er weinig wild. Het park gaf ook een troosteloos droge indruk, alles was dor en grijsgeel, alleen een kudde zebra’s bracht ons wat afwisseling. Een van de jeeps kreeg panne, de jonge chauffeur wist het euvel wel te verhelpen maar we moesten toen wachten op een jerrycan water. Gelukkig liep het goed af , maar je gaat toch beseffen hoe vanzelfsprekend wij mobiele telefonie al vinden; buiten Addis Abeba is er nauwelijks een vaste telefoon en helemaal geen mobiel netwerk !
Hoera, vanaf Arba Minch naar het noorden waren de wegen weer enigszins verhard, we hadden uitgebreid gedoucht en we konden er weer tegen ! We reden noordwaarts naar het Langanomeer, bezochten onderweg nog een paar bewoonde hutten van leem en stro. Binnen leven zowel mensen als vee samen, met rieten schermen zijn er aparte “kamers” voor mannen en vrouwen, in de keuken staat een koffiepot in het vuur, de hele hut is mistig van de bijtende rook en de bewoners waren duidelijk overtuigde christenen, getuigen de wandschilderingen. Toch leken deze hutten voor ons zoveel “rijker”, na ons bezoek aan de Mursi’s.
Vanaf Shashamene, een verkeersknooppunt met een echte rastafaricommune (afbeeldingen van Bob Marley bepalen hier het straatbeeld; volgens zijn vrouw Rita Marley zouden zijn stoffelijke resten in 2005 hier in Shashamene herbegraven zijn .) De Jamaicanen zagen de laatste keizer Haile Selassie, wiens echte naam Ras Tafari Makonnen was, als de nieuwe Messias, en kregen hier een stukje land geschonken om een commune te stichten.
We aten onze zoveelste lunch van brood met omelet en reden toen over een onwaarschijnlijk comfortabele snelweg naar het Langanomeer, waar we incheckten in een groot bungalowpark. De houten bungalows zagen er verwaarloosd uit, en uit de kraan kwam bruin meerwater, maar in het weekend komen hier de gegoede jongeren uit Addis Abeba zich vermaken, met vaak veel alcohol. Ze maken kampvuren (vlak naast de bungalows), zwemmen, flirten en vieren feest tot diep in de nacht. Wij genoten hier van een nodige vrije middag, men ontspande zich langs het meer, dus ik ging vogels kijken, onmiddellijk gevolgd door tientallen bedelende kindertjes. Dan maar vanaf het terrein van het hotel kijken, en ik ontdekte een grote groep flamingo’s, pelikanen, honingzuigertjes, glansspreeuwen, etc.
’s Avonds hadden we een feestje georganiseerd, één van onze reisgenoten werd 73 jaar. Er was met heel veel moeite een taart gebakken; de ingrediënten moesten immers uit Addis Abeba komen dus bleef het tot op het laatste ogenblik onzeker. Er waren kaarsjes gevonden, ballonnen, een paar liter tej om te toasten, kadootjes en gedichten waren gemaakt, en er was wijn en bier.
Nadat wij gingen slapen, vierden de jongeren tot diep in de nacht buiten verder …..
Weer voor dag en dauw op, voor een lange dag de bergen in. Vandaag slechts 250 kilometer, maar we zouden al tot boven de 3600 meter gaan stijgen. Al snel sloegen we af naar de Bale-bergen, een prachtige groene regio die zelfs aan Oostenrijk of Duitsland deed denken; met het stijgen werd het ook koud en begon het te waaien en soms te regenen. We lunchten maar weer men de gebruikelijke sandwiches-met-omelet en zagen de eerste endemische vogelsoorten al; vogels die nog uitsluitend hier voorkomen, zoals de Zwartkopkanarie, de Spikkelborstkievit, de Rougetral, en vele andere soorten.
Door de hoogte veranderde ook de vegetatie en herinneringen aan Scandinavië kwamen boven. Ruw graniet, winderige vlaktes, de dreigende regenwolken aan de horizon.
Bij Dinsho is de eigenlijke ingang van het Bale Nationaal Park. We maakten er een wandeling onder leiding van een ranger, in de gietende regen, maar zo kwamen we wel heel dicht bij de eveneens schuilende zeldzame dieren, als de Bergnyala, de Meneliks Bosbok, het Knobbelzwijn, … Doodstil slopen we door het bos, de dieren waren gelukkig niet heel schuw.
Voor zonsondergang kwamen we aan in Goba, bij alweer een hotel van de Wabi Shebele-keten, in een grijze sovjetstijl gebouw en slecht onderhouden. Kale kamers, weinig licht. Maar we werden vergast op een Ethiopische bruiloft, zeer uitbundig en sfeervol, en ons “huwelijksgeschenk” in dollars werd glunderend aan de zaal getoond.
Hoewel het restaurant niet al te sfeervol was, was het eten er aanmerkelijk beter ! En met een stevig glas Gouderwijn in de maag, ging het slapen op deze kille hoogte van 2700 meter toch goed ! Buiten stortregende het …
Vandaag, maandag 20 februari, werd weer een onvergetelijke dag. We reden vroeg weg, met als hoofddoel de Ethiopische wolf te zien. Dik aangekleed, want het was koud, stegen we hoger en hoger, en het landschap werd echt Alpijns of zelfs Noors. Veel kanaries tussen de brokken graniet en de struikjes, een enkele zeldzame Blauwvleugelgans, Nijlganzen, maar nog geen wolf. We stapten uit om te zoeken naar klipdasjes, maar het lopen kostte moeite, de hoogtemeter gaf 4200 meter aan. We hoorden wel wolven blaffen, maar konden ze maar niet ontdekken.
We reden verder, en het had warempel gesneeuwd ! Met veel moeite zagen we heel in de verte een Ethiopische Wolf lopen; het lijkt meer op een gewone rode vos op extra lange poten. Ze zijn heel zeldzaam, komen alleen nog in Ethiopië voor op grote hoogte en er zijn er waarschijnlijk nog maar minder dan 450 exemplaren.
We waren van plan omhoog te rijden naar de Tullo Deëmte, met zijn 4377 meter de tweede hoogste berg van Ethiopië, maar de berg lag vol sneeuw. Met veel moeite reden we naar boven, waar toch zeker een 20 centimeter sneeuw lag. De Ethiopische chauffeurs waren door het dolle heen, want drie van hen hadden nog nooit in de sneeuw gestaan. In het Amhaars is er zelfs geen woord voor, dus noemen ze het maar ice. Ze maakten sneeuwballen, wreven mekaar in, koelden de jeepmotors met sneeuw, en een van hen maakte zelfs sneeuwballen die hij in de achterbak van zijn jeep legde, “to show my friends in Addis”…… Maar nog nooit hadden ze het zo koud gehad !
Op de terugweg zagen we toch nog enkele wolven, ook van heel dichtbij, acrobatisch jagend op ratten.
’s Middags bleven we maar bij het hotel, want het regende voortdurend, en bereidden een beetje ons nakende vertrek voor.
Oei, alweer onze laatste dag en dan ook nog ruim 500 kilometer te rijden ! Eerst moesten we die mooie maar oh zo slechte weg weer afdalen naar Shashamene. Daar aten we weer onze inmiddels bekende omeletlunch en hadden nog 250 kilometer snelweg voor de boeg. Maar ondanks de vermoeidheid en de luxe van verharde wegen is een “snelweg” toch niet ontspannend voor ons als passagiers, want iedereen gebruikt roekeloos die weg, zowel overladen vrachtwagens als vee als kinderen, … Het lijkt wel of iedereen in Ethiopië eeuwig onderweg is …
Omstreeks 18.30 u. kwamen we aan in ons “oude” National Hotel, waar we ons even konden opfrissen. Onze lokale agent Travel Ethiopia bood ons een afscheidsdiner aan in een cultureel restaurant, met muziek, dans en natuurlijk onze laatste, copieuze injera. Er werd afscheid genomen van onze lokale gids Assefa en onze toegewijde chauffeurs, en toen moesten we naar de luchthaven. Na enkele hele strenge veiligheidscontroles en een vreselijk chaotische incheckprocedure, kwamen we in een luxe taxfreezone, dronken nog een laatste Dashenbiertje en vlogen weer in een stampvol vliegtuig via Rome terug naar Amsterdam. Ons wachtte de taak om al onze overweldigende, schrijnende, onvergetelijke indrukken te verwerken, hetgeen meer tijd nodig had dan verwacht !

Wilt u ook kans maken op een kadobon? Per kwartaal wordt de inzender van het mooiste reisverslag beloond met een kadobon.