Skip navigation

Reisverslag: China en Tibet

Door: Een reiziger 
Reisverslag China en Tibet



China en Tibet; het Lössplateau en het Dak van de wereld


Een bijzondere reis van KRAS.NL, die de mogelijkheid biedt om zowel het wereldberoemde terracottaleger van Xi’an te aanschouwen als het hoogland van Tibet met de heilige stad Lhasa. Een buitenkansje, zeker voor diegenen die in Beijing al besmet geraakt zijn met het China-virus !


Zo vlogen we op zondag 8 oktober verwachtingsvol en comfortabel met onze eigen KLM naar Chengdu, de hoofdstad van de Chinese provincie Sichuan. Deze nieuwe lijndienst van KLM is erg succesvol, het toestel schijnt steeds mudvol te zitten, zowel met Europeanen als met Chinezen. We werden verwend, kregen prima te eten en te drinken, er was een geavanceerd animatieprogramma via ons persoonlijke televisieschermpje en de afstandsbediening en wie wilde kon een Nederlandse krant krijgen. Oh ironie, juist in deze zaterdageditie van het Algemeen Dagblad stond een interessant verhaal over de Qingning-spoorlijn, de nieuwe spoorlijn van Peking naar Lhasa, en een hele bladzijde over … hoogteziekte …

Prima op tijd landden we in Chengdu, met een relatief kleine luchthaven, waar we snel door de douane gingen, de koffers afhaalden en we in de aankomsthal kennismaakten met onze lokale Chinese gidse Korrina en onze reisleider Michel Lebon. Helaas konden we er geen geld wisselen, maar al snel konden we naar buiten, waar het aangenaam warm was maar erg heiig.
Daar Chengdu nog niet zo toeristisch is, is het niet zo eenvoudig om ergens geld te gaan wisselen, dus stopten we onderweg naar ons hotel bij een groot kantoor van The Bank Of China. Er kon gepind worden en een aantal van onze groep (32 personen) ging cash geld wisselen, dat helaas gepaard gaat met veel administratie en dus lang duurde. Voor één Euro kregen we ongeveer 10 Chinese Yuan, dat is dus gemakkelijk rekenen.

De eerste indrukken van Chengdu waren wat anders dan verwacht; het is een grote, moderne stad met veel verkeer, ruim 11 miljoen inwoners, veel viaducten, lange rechte wegen en een eeuwige deken van mist en smog over de stad. Later zouden we horen dat het in Chengdu bijna altijd heiig is, men beweert zelfs dat als de zon doorkomt, de honden gaan blaffen …

We checkten in in ons hotel Wuliangye, een eenvoudig hotel waar men nog niet zo gewend lijkt te zijn aan buitenlanders, vrijwel niemand spreekt er een woordje over de grens, maar de kamers waren redelijk, al moet je aan de spartaans-harde Chinese bedden wel wennen.

Nadat we ons opgefrist hadden gingen we op weg om Chengdu te ontdekken. Korrina is een leuk uitziend, jong meisje, maar spreekt razendsnel “Chinglish”; gelukkig sprong Michel steeds vaker in in het Nederlands, met een zachte g en duidelijke, gestructureerde uitleg.
We hoorden dat Chengdu de oude hoofdstad is van de grote Chinese provincie Sichuan (14 maal groter dan Nederland !), een provincie die tegen de oostflanken van het Himalayagebergte aanleunt en daardoor beschikt over voldoende water en vruchtbare landbouwgronden, die al ruim 5 millennia voor een zekere welvaart zorgen. Dankzij een ingenieus plan van sluizen, kanalen en stuwdammen wist men al vóór onze jaartelling het water te beheersen en de landbouw te bevorderen. Ook toen was de provincie Sichuan al berucht om haar veelvuldige mist ! Chengdu werd een grote stad, bekend om haar zijde en brokaat, een voorname tussenstop aan de zuidelijke Zijderoute, en hier werd voor het eerst papiergeld gedrukt en gebruikt. De bijnaam van de stad is “Hibiscusstad”; sinds de tiende eeuw was de hibiscusbloem de stadsbloem van Chengdu, die zelfs op de verdedigingsmuren aangeplant werd.
Maar het huidige uitzicht van de stad is het gevolg van de Tweede Wereldoorlog, toen na een bloedige, jarenlange burgeroorlog de Communisten van Mao Zedong de nationalistische Guomindang-groepen van Jiang Jieshi (Tsjang Kaishek) het binnenland indreven. Chengdu werd toen tijdelijk hun hoofdkwartier, volgens sommigen toen zelfs de hoofdstad van China, en er kwam een golf aan nieuwe bewoners, die de stad modern uitbouwden, nieuwe industrieën vestigden en de handel opnieuw lieten bloeien.
De Culturele Revolutie (1967-1976) is een zwarte bladzijde uit de Chinese geschiedenis, en vele oude gebouwen werden gesloopt, slechts dankzij premier Zhou Enlai konden een aantal oude tempels en paleizen voor het nageslacht bewaard blijven.
Een van die oude relikwieën bezochten wij, de taoïstische Qingyangtempel. Geen grote tempel, maar wel interessant om meer te horen over de oudste religie van China, het Taoïsme, waarbij het leven heilig is en de monniken middels zware lichamelijke en geestelijke oefening trachten om de onsterfelijkheid te bereiken door de individuele banden met de Kosmos te herstellen. Terug naar de natuur is hun belangrijkste logo, en dat komt onder andere ook terug in onder andere de traditionale ochtendgymnastiek (“taijichuan”), eetgewoonten en zelfs later in het Chinese boeddhisme.

Langzamerhand werd het donker en begonnen onze magen te knorren : tijd voor een Chinees diner ! Korrina stelde voor om dé specialiteit van de provincie Sichuan te gaan eten : hotpot ! Goed idee ! We zochten plaatsjes aan ronde tafels met daarop een grote pan dampende bouillon, waarin we zelf met stokjes (!) en lepels groenten, noedels en flinterdunne plakjes vlees gingen koken. Om het eten wat meer smaak te geven, staan er ook bakjes scherpe sausjes op tafel; de provincie Sichuan staat bekend om haar pittige keuken, maar wij waren in eerste instantie voorzichtig. Naderhand drink je de bouillon uit de pan. Een grote fles Chinees bier erbij, en zo konden we weldoorvoed onze eerste nachtrust in China tegemoet !



Dag 3 : de panda’s !


Uitslapen is er in China niet bij ! We gingen om acht uur al op pad naar het Panda Research Centre; reuzenpanda’s zijn luie dieren die voornamelijk van bamboescheuten leven. Nu is hun spijsvertering hier eigenlijk helemaal niet op ingesteld en moeten ze dus veel rusten om de bamboevezels te verteren. ’s Ochtends zijn ze het actiefst.
De provincie Sichuan is de bakermat van de reuzenpanda; nergens ter wereld komen zoveel reuzenpanda’s voor. Het zijn solitaire dieren, veel individualistischer en onverdraagzamer dan hun koddige uiterlijk doet vermoeden, en op de koop toe zijn de wijfjes ook maar enkele dagen per jaar vruchtbaar, waardoor ze altijd al zeldzaam geweest zijn. Op dit ogenblik leven er waarschijnlijk nog zo’n 1600 reuzenpanda’s in het wild, en verreweg de meesten in Sichuan. Vandaar dat de Chinese regering in 1993 een researchcentrum stichtte en meer dan veertig speciale pandareservaten.
We zagen de couveuses waarin kleine, pasgeboren pandabeertjes liggen, een interessante film over het leven van de reuzenpanda, en gelukkig ook een aantal jonge panda’s die lui op hun rug lagen te eten. De Kleine Panda’s zijn een stuk actiever; dit zijn rode marterachtige beertjes die een groot deel van hun leven in bomen doorbrengen; helaas worden ze omwille van hun mooie vacht bejaagd en zijn ze ook zeldzaam geworden.
Natuurlijk mochten de pandasouvenirs niet ontbreken en die werden grif gekocht !

We lunchten heerlijk op een soort “boot” op de zogenaamde Brokaatrivier, die door Chengdu stroomt en kregen een uurtje vrij in het “oude centrum” van de stad, Jinli Old Street, feitelijk een toeristisch centrumpje met veel souvenirwinkels en een Starbucks. Na een bezoekje aan een interessante zijdefabriek, waar Chengdu nog steeds bekend om staat, reden we door de drukke straten naar ons hotel, waar Michel ons de moeizaam gevonden postzegels kon leveren. Hij had 3 postkantoortjes leeggekocht om ons postzegels te kunnen leveren voor onze ansichtkaarten naar Nederland. Normaal moet er een postzegel van 5 yuan op een kaart, maar die waren erg moeilijk te vinden, vandaar dat we ons maar moesten “behelpen” met 5 postzegels van 1 yuan per kaart; het waren nog mooie maar erg grote postzegels ook ! Leuk voor de verzamelaars !

’s Avonds konden we met de bus mee om te gaan dineren, althans diegenen die wilden, in het zogenaamde Cultuurpark. Ook hier aten we voor weinig geld weer heel smakelijk, en de cultuurliefhebbers konden er naderhand genieten van een bijzondere opera- en folkloreshow. Kleurrijke dansen, Chinese clowns, een jongen die schaduwfiguren maakte met zijn handen (dat lijkt oubollig, maar deze jongen was echt een tovenaar met zijn vingers !) en natuurlijk een stukje flamboyante Sichuan-opera, waarbij de acteurs vliegensvlug hun gezichten van uiterlijk kunnen doen veranderen door middel van flinterdunne maskers. Zo kan je op afstand aan het gezicht zien wat hun stemming is, en het wisselen van maskers is echt een kunst.
Buiten in het Cultuurpark gingen de lokale bewoners stijldansen, ook in het donker gingen ze gewoon door !



Op naar Lhasa !


Vandaag was de grote dag : we zouden naar Tibet vliegen ! Het Dak van de Wereld riep ons !
Michels adviezen waren duidelijk : veel water drinken, rustig wennen aan de hoogte, voldoende rusten en … het is niet verplicht om hoogteziekte te krijgen ! Er bestaan zowel Westerse als homeopatische medicijnen tegen hoogteziekte, maar die blijken van persoon tot persoon verschillend te werken. Dus : afwachten en positief denken !

In de luchthaven van Chengdu namen we afscheid van Korrina en een beetje zenuwachtig gingen we naar de gate, en vertrokken om 11.50 uur met vlucht 3U 8697 naar Lhasa. We kregen aan boord een eenvoudige maaltijd en de stewardessen deden ons zelfs wat gymnastische oefeningen voor.

Na een tweetal uurtjes landden we dan op Lhasa Gonggar Airport en zetten voet op Tibetaanse bodem, op 3600 meter boven zeeniveau. Het is slechts een kleine luchthaven, we liepen rustig naar de kofferband, mekaar scherp in de gaten houdend en diep inademend. De overgang naar zulke hoogte is wel degelijk voelbaar, maar we hielden de adviezen in ere. Buiten werden we opgewacht door Nick, een jongen die ons welkom heette met een lange witte “kata”-sjaal en een plechtig “tashi delai”. Nick zou ons alleen vandaag vergezellen. De luchthaven van Lhasa ligt ver van de stad; oorspronkelijk meer dan 100 kilometer, maar dankzij het openen van een lange tunnel is die afstand teruggebracht tot “slechts” 60 kilometer.
De eerste indrukken al van Tibet waren overweldigend : majestueuze bergen, de eerste ruwharige yakken en vooral … veel water ! Het was herfst en dankzij de warme zomer en de vele regen in die maanden waren de rivieren gezwollen; ook de Lhasa-rivier (die lokaal de “Kyichu” heet) die we gedeeltelijk volgenden naar de stad.
Na ongeveer 20 minuten rijden stopten we even bij een boeddhareliëf in een rotswand, waar vele kata’s aanhingen. Volgens Nick heette deze boeddha ons welkom en zouden we over een week hier ook een kata offeren voor een goede thuisreis en misschien zelfs een weerzien met Tibet. Hier zaten ook al de eerste Tibetaanse souvenirverkopers met hun klankschalen, kettingen en andere snuisterijen.
Een twintig minuten verder konden we in de verte al de contouren ontwaren van het Potalapaleis, de opwinding maakte zich een beetje meester van ons. Toen reden we een modern gedeelte van de stad in, er is immers ruimte genoeg, reden onderlangs het ongelooflijk indrukwekkende Potalapaleis, door het drukke verkeer, naar ons hotel, niet te ver van het centrum. Het heette Tashi Nota, de Chinese naam luidt Jixiangbaoma, en is gebouwd in lokale stijl, dus in grijze steen, met zwarte omlijstingen van de ramen, de dakgoten versierd met kleurige “gordijntjes”, en veel bloemen. Gelukkig bleek ook de jonge receptioniste Lhamo goed verstaanbaar Engels te spreken.
De kamers waren eenvoudig maar comfortabel, met een waterkoker om koffie of thee te kunnen zetten (“blijven drinken”), maar er is geen lift voor die 2 verdiepingen. Toch hijgend klommen we naar boven, terwijl de kamermeisjes ons met onze koffers vrolijk lachend voorbijspurtten … Beneden is een winkeltje waar je voor 20 yuan flessen met zuurstof verrijkte lucht kan kopen, en een supermarktje. We hielden ons maar aan Michels advies : rusten !

’s Avonds reden we per bus een paar kilometer tot het centrum van Lhasa; we zagen de Jokhangtempel liggen (met een enorm fastfoodrestaurant er pal naast …), werden bijna omver gereden door de fluitende, bijna racende Tibetaanse riksjarijders, vergaapten ons aan tientallen kraampjes met Tibetaanse souvenirs en aten een eenvoudige maaltijd in de Lhasa Kitchen. Enkele typische Tibetaanse spijzen mochten niet ontbreken, zoals tsamba (geroosterd gerstemeel met boter), boterthee en natuurlijk yakvlees.
En dan onze eerste nacht in, op het Dak van de Wereld ….



Op het Dak van de Wereld


Die nacht verliep heel verscheiden. Terwijl ikzelf geslapen had als een roos, hadden sommige medereizigers een belabberde nacht achter de rug, konden de slaap niet vatten, moesten vaak naar het toilet (tja, je moet 3 à 4 liter water drinken per dag, dus …) of hadden last van hoofdpijn. Vreemd was dat sommige mensen zich nauwelijks bewust waren dat ze op zulke grote hoogte zouden verblijven, Tibet heet toch niet voor niets het “dak van de wereld”, nietwaar ?!

Tibet is de op één na grootste provincie van de Chinese Volksrepubliek, circa dertig maal groter dan Nederland, en bestaat grotendeels uit een hooggelegen plateau (gemiddeld 4000 meter boven zeeniveau), met vooral aan de zuidkant hoge bergen : het Himalayamassief, met 11 toppen hoger dan 8000 meter. De hoogste top is de heilige berg Qomolangma, bij ons beter bekend als de Mount Everest (8848 m).
De naam Tibet komt waarschijnlijk van het Turkse woord töban, hetgeen de hoogten betekent; de Tibetanen zeggen meestal Bod of , betekent vaderland. De Chinezen noemen dit gebied de Tibetaanse Autonome Regio, oftewel Xizang, dat als Westelijke Schatkamer vertaald wordt.
De hoofdstad van Tibet ligt in het zuidelijke gedeelte, Lhasa, op “slechts” 3650 m.
Het land is zeer dun bevolkt, volgens de statistieken slechts 2 inwoners per vierkante kilometer; de meeste inwoners leven dan ook in het relatief vruchtbare zuiden. Over de samenstelling van de bevolking zijn er veel tegenstrijdige verhalen; volgens de Chinese autoriteiten wonen er in Tibet ongeveer 2,6 miljoen mensen, waarvan circa 90 % van Tibetaanse oorsprong is. Westerse bronnen noemen een getal van zes miljoen Tibetanen en bijna acht miljoen Chinezen. Naar onze ervaring domineren de Tibetanen toch het straatbeeld en is er buiten de hoofdstad Lhasa (ruim een half miljoen inwoners) nauwelijks bewoning.

Vanochtend kregen we het flink voor de kiezen : we begonnen met de bezichtiging van het Potalapaleis. Dit Winterpaleis van de dalai lama’s ligt op de Maporiheuvel, tegen de 3900 meter hoogte, en is feitelijk een soort paleisklooster; het witte gedeelte is voornamelijk bedoeld als woongedeelte voor de dalai lama’s en hun assistenten, het rode gedeelte is voor religieuze doeleinden. Een klein geel gedeelte is opslagruimte voor religieuze voorwerpen.
Hier op deze heuvel zou in de zevende eeuw een paleis gestaan hebben voor de Tibetaanse koning Songtsam Gampo en zijn twee boeddhistische echtgenotes, één uit Nepal en één uit China (vandaar dat de Chinezen beweren dat zij het boeddhisme in Tibet geïntroduceerd hebben). Vanaf de 17 de eeuw werd hier gebouwd aan dit enorme kloosterpaleis, totaal 13 verdiepingen en 120 meter hoog, tot 350 meter breed en een oppervlakte van ruim 13 hectare.
Het is nu officieel een staatsmuseum, maar ook gedeeltelijk nog een klooster, en wordt sinds 1994 tot het Werelderfgoed gerekend.

Onze Tibetaanse gids voor deze dagen stelde zich voor, Chodak, maar hij luistert ook naar de naam Charley, een magere jongeman die vrij duidelijk Engels spreekt en al jaren als gids werkt.
Aan de zuidzijde van de Maporiheuvel stopten we voor een foto. Tientallen Tibetanen doen hun dagelijkse gebedsrondje rond het heilige Potalaklooster, met grote gebedsmolens, mondkapjes voor, biddend en velen prostreren zich ook vele malen languit richting de heuvel. Voor vele reisgenoten is dit een emotioneel ogenblik; eindelijk staan ze oog in oog met het jarenlang zo onbereikbare symbool van Tibet.
Er is geen andere mogelijkheid om het Potalapaleis te betreden dan via de trappen aan de zuidzijde. Na een strenge veiligheidscontrole bestijgen we de zigzaggende trappen, rustig aan, maar sommigen valt het erg tegen en enkele medereizigers keren terug. Misschien is dat maar beter ook, want ook binnen is het een doolhof van kleine kamertjes, gangetjes en ook weer trappen en zelfs steile ladders, die we discreet hijgend aanvaardden. Maar we worden beloond, want binnen is het allemaal goud wat er blinkt, tonnen en tonnen goud, zilver, edelstenen, overal liggen bergen geofferd geld voor de heiligenbeelden. Dagelijks mogen er slechts 2500 toeristen binnen en dat voor maximaal één uur; gelukkig was het niet druk en deden we rustiger aan; Tibetaanse bezoekers/pelgrims wrongen zich glimlachend maar volhardend tussen ons door, stapels kleine bankbiljetten in de hand om te offeren bij elk godenbeeld dat men passeert. Jammer genoeg mag het beroemde Gouden Dak sinds januari 2006 niet meer betreden worden wegens instortingsgevaar. Maar het Potalapaleis bleef een adembenemende belevenis, we waren onder de indruk van de onschatbare rijkdom daarbinnen.
Langs de achterzijde slenterden we via een glooiend pad naar beneden, uitkijkend over Lhasa.

De grote tuin rond de Potalaheuvel, het Drakenkoningspark of Zonggyoblukang was helaas gesloten wegens een grootschalige restauratie, net zoals het Norbulingka of Zomerpaleis van de dalai lama’s.

We kregen ruim de tijd om in het centrum uit te blazen, te lunchen en een rondje te lopen rond de centraal gelegen Jokhangtempel, de beroemde Barkhorstraat. Uurwijzerzin lopend is ook dat een belevenis die nooit gaat vervelen, tussen de vele stalletjes en kraampjes met religieuze artikelen als gebedsvlaggetjes, amuletten, kralen, sieraden en souvenirs, waar Tibetanen hun rondjes maken met hun gebedsmolens, vrome pelgrims de route al prostrerend afleggen, en wierookovens de straten vaak in een geurige mist hullen. Het zijn voornamelijk Tibetanen die de straat bevolken, met wat internationale en Chinese toeristen. Veel Tibetanen lopen in hun traditionele chuba’s, die niet altijd even schoon zijn, turkooisen kralen in het lange haar en ook weer vaak een monddoekje, die overal in alle vormen en maten te koop zijn, hoewel de lucht ons toch best schoon leek.

Om drie uur verzamelen we ons voor de ingang van de Jokhangtempel, bijgenaamd de “Kathedraal van Lhasa” en het centrum van het Tibetaans boeddhisme, ook wel lamaïsme genoemd. Volhardende pelgrims prostreren zich hier soms urenlang, ze kunnen er een matras huren, en handschoenen om hun handen te beschermen.
Het draait allemaal om de verdienste, de bonuspunten die men in dit leven behaalt, die bepalen hoe de volgende incarnatie zal zijn. Men gelooft heilig in reïncarnatie, en probeert dus zo goed mogelijk te leven, inclusief het offeren van geld, goud of boter en het zeggen van gebeden of het doen van dagelijkse of eenmalige pelgrimstochten.
Het verschil met andere vormen van het boeddhisme is dat de Tibetaan zijn lot liefst in handen legt van een monnik of lama, opdat die zal bemiddelen over de volgende incarnatie; het offeren van geld, voedsel of diensten (“corvee”) aan een klooster is dus een must. En het lamaïsme kent ook een pantheon aan goden, geesten en demonen, vaak kleurig afgebeeld in fresco’s in de tempels, en ook die moeten steeds geëerd worden.

De Jokhangtempel bestaat sinds de 7 de eeuw, toen koning Songtsam Gampo hier een schrijn liet bouwen voor de kostbare boeddhabeelden die zijn twee buitenlandse, boeddhistische echtgenotes als bruidsschat meenamen, feitelijk is het de wieg van het Tibetaans boeddhisme.
De buitenkant ziet er nogal bescheiden uit, maar binnen puilen de schrijnen en tempelzalen weer uit van het goud, bergen kleingeld en kostbare heiligenbeelden.
Vanaf het dak van de tempel hebben we een schitterend uitzicht over de Barkhor, de stad en zelfs op het Potalapaleis.

Vól indrukken keerden we terug naar het hotel, verbaasd over de rijkdom binnen de kloosters, bij elkaar gebracht door vele generaties van gelovigen uit heel Tibet.

Michel nam ons mee naar een piepklein lokaal restaurantje, vlakbij het hotel. Je zou er zelf niet zomaar binnenstappen, de taal blijft problematisch, maar we lieten ons overhalen. Via een wankele trap kwamen we in een ruimte met twee ronde tafels, die al snel volgeladen werden met heerlijke gerechtjes als gebakken yakvlees, gehaktballetjes, aubergine, witte kool met pepertjes, zoetzuur varkensvlees, doufu, enzovoort. Voor 3 euro per persoon zaten we barstensvol en wankelden de enge trap weer af ….



Dag der kloosters


Het was een frisse nacht geweest, op de bergen rondom Lhasa was al verse sneeuw gevallen en de bewolking hing laag. Tja, het is ook al oktober natuurlijk.
Deze dag gingen we twee kloosters bezoeken in de nabijheid van Lhasa : het Drepungklooster en het Seraklooster. Het Drepungklooster kwam al snel in zicht, als een “rijsthoop”tegen de helling van de Gambo Utse-berg; dat werd dus weer klimmen ! Het klooster werd in de 15 de eeuw gesticht door een volgeling van de Geelmutsenorde, één van de twee toonaangevende kloosterordes in Tibet, met als doel er 7.777 monniken onder te brengen en er een toonaangevende universiteit te openen. Lange tijd was het ook het grootste klooster ter wereld, met soms bijna 15.000 monniken; van hieruit werden nog 700 andere kloosters bestuurd en het Drepungklooster bezat uitgestrekte landerijen met bijbehorende lijfeigenen. Echter, nadat de veertiende dalai lama in 1959 naar India vluchtte voor het oprukkende communisme en het geweld dat daarmee gepaard ging, vluchtten ook de meeste monniken en werd het klooster geconfisceerd. Op dit ogenblik wonen en werken er nog zo’n 400 monniken en functioneert het klooster weer als universiteit.
Het was stil in het klooster en de laaghangende wolken, de murmelende monniken die voorbij kuierden en de majestueuze bergen op de achtergrond zorgden voor een indringende mystieke sfeer. Helaas werd onze conditie hier ook weer getest in de steile straatjes en de vele trappen, maar sprakeloos zouden we in ieder geval worden van de eenvoud en schoonheid van deze kloosterstad. Binnen weer veel beelden, goud en zilver, edelstenen, stoepa’s ter nagedachtenis aan vermaarde geestelijken en de alomtegenwoordige geur van brandende yakboter. De vergelijking met een twijfelachtige Belgische frituur drong zich op !
De vele Tibetaanse pelgrims die zich glimlachend een weg door de groep baanden om snel wat kleingeld of boter te offeren voor de lampjes, verspreiden dezelfde geur van yakboter.
In dit soort kloosters is de commercie toch aanwezig; als je wil fotograferen of filmen moet je hier per kamer betalen, en de aanwezige monniken houden dat goed in het oog, terwijl ze ook een kraampje hebben met amuletten en religieuze hebbedingetjes. Echter, er werd gegarandeerd dat alle spullen door de abt persoonlijk gezegend zijn !

Na even tijd in het hotel of in de stad, gingen we ’s namiddags naar het Seraklooster, aan de andere kant van Lhasa. Gelukkig, hier geen hellingen en stille straatjes, maar meer monniken; er zouden er nu nog ca. 4000 wonen. Ook hier het treurige verhaal van confiscering en vluchtende monniken, maar nu is dit het enige klooster in Tibet waar de monniken op bepaalde tijden met mekaar religieuze zaken bediscussiëren en waar toeristen mogen toekijken. Een vreemd schouwspel, vol symbolische spreuken en gebaren, maar gelukkig ook veel humor.

Weer een indrukwekkende dag, jammer dat er toch wat medereizigers waren die nog steeds last hadden van de hoogte en gedeeltes van het programma moesten missen. Tibet is toch een bestemming die een goede lichamelijke conditie vraagt; ijle lucht, veel lopen en klimmen en veel indrukken !



Van Lhasa naar Gyantse


We namen tijdelijk afscheid van het Tashi Notahotel en gingen op weg naar Gyantse, een afstand van ruim 300 kilometer. Helaas moesten we één echtpaar achterlaten in het hotel; op aanraden van enkele vriendelijke Spaanse artsen die ook in het hotel verbleven, was het wijzer dat zij zich niet teveel inspanden en niet nóg hoger gaan.
Door prachtige landschappen reden we westwaarts; de populieren waren al in herfstkleuren, er was water genoeg, grote zwarte yakken graasden onverstoorbaar door, de zon was erg fel en de hemel kobaltblauw, geaccentueerd door enkele sneeuwwitte wolkjes.
De enige lunchgelegenheid was bij een soort truckstop, het restaurantje was erg eenvoudig met een “open keuken”, waarin op hoog vuur eenvoudige maar smakelijke gerechten bereid werden. Buiten waren er wat kraampjes waar we water konden kopen, en overal grote voorraden blikjes Red Bull, dat in korte tijd naast de boterthee de nationale drank van Tibet lijkt te zijn geworden. Een stellage met twee holle spiegels wordt gebruikt om er met zonnewarmte water op te koken, heel ingenieus !
Na de stop werd de weg wat slechter, we stopten enkele keren voor een foto, keken bij een traditionele tsambamalerij en raden langs kleine dorpjes.
Gyantse kwam in zicht, voornamelijk het Dzongfort. Het Dzongfort speelde in de Tibetaanse geschiedenis een cruciale rol; deze burcht bewaakte de handelsweg tussen Tibet en India en belette ongewenste bezoekers verder te reizen naar de “verboden stad Lhasa”. Pas toen in augustus 1904 het Britse leger onder leiding van kapitein Francis Younghusband met groot vertoon en kanonnen en geweren dit fort kapotschoot, konden de eerste buitenlanders oprukken naar Lhasa en werd Tibet een Britse handelspost.

Gyantse (of Gyanzi) is een groot dorp, bestaat slechts uit enkele straten en ligt op ongeveer 4000 meter hoogte. We checkten in in ons hotel voor één nacht, het eenvoudige hotel Jian Zang en rustten even uit. Ikzelf ging op zoek naar een Internetcafé en vond er een, waar de lokale Tibetaanse jeugd ook rondhing en computerspelletjes speelde.
’s Avonds konden we dineren in het restaurant Tashi, dat een verzamelplaats is voor de buitenlanders in Gyantse.



Van Gyanste naar Shigatse


Na een voor sommigen weer slapeloze nacht en een eenvoudig ontbijtje gingen we op pad. Het was in de schaduw erg koud, terwijl je in de zon snel verbrand, op die hoogte. We bezochten het Palkhorklooster met de bijbehorende Kumbumstoepa. De stoepa is een bijzonder gebouw in een niet-Tibetaanse stijl. Het werd gebouwd door Nepalezen, vandaar het verschil, en heeft 13 verdiepingen, waarvan de zes onderste vele tientallen kleine tempeltjes herbergen met daarin 100.000 boeddhabeelden (“kumbum” betekent “honderdduizend beelden”), waarschijnlijk een symbolisch getal. Enkele medereizigers beklommen de stoepa langs steile trappen, wat op die hoogte niet zo vanzelfsprekend is.
Na het bezoek aan dit klooster kregen we een uurtje vrij in een oude, typisch Tibetaanse wijk vlakbij het klooster. Dat was echt een stap terug in de tijd, Tibet uit de tijd van Heinrich Harrer : lage witgekalkte huizen met zwartomrande raamkozijnen, koeien in de straat, grote hoeveelheden gedroogde mestkoeken opgeslagen als brandstof, gebedsvlaggetjes op de daken, groezelige kindertjes die met een dode muis speelden … Echt een wandelingetje door de tijd, hoewel deze wijk waarschijnlijk ook niet meer lang zal bestaan.
Na een eenvoudige noedellunch, door Chodak en Michel snel georganiseerd in een piepklein volksrestaurantje, reden we door een prachtig landbouwgebied naar Shigatse. Sterke yakken trokken ploegen, hele boerenfamilies werkten op het land; het leven is hard op deze grote hoogte, en dit was volgens Chodak een van de vruchtbaarste regio’s van heel het Tibetaanse plateau.
Ons Shizheng Hotel in Shigatse is een prima hotel, met luxe kamers en zachtere bedden, iets buiten de stad.
Shigatse (of Xigaze) is de tweede stad van Tibet, ook op ongeveer 4000 meter hoogte, met een klein ouder centrum en ook grote nieuwbouwwijken; er wonen ongeveer 80.000 mensen, zowel Tibetanen als Chinezen.
Shigatse is eeuwenlang de rivaal geweest van Lhasa, als hoofdstad van de provincie Tsang en voornamelijk gedomineerd door monniken van de Roodmutsensekte, die felle oorlogen voerden met de monniken van de Geelmutsensekte, vandaar de bouw van een fort. Pas toen de vijfde dalai lama in de zeventiende eeuw de hulp inriep van de Mongolen kwam er een einde aan de eeuwenlange monnikenoorlog en werd de Geelmutsensekte de leidende sekte in Tibet. Shigatse werd de hoofdzetel van de panchen lama, feitelijk de adjunct-bestuurder na de dalai lama, die meestal in Lhasa zetelde.

In de namiddag bezochten we het Tashilunpoklooster, gesticht in de vijftiende eeuw en vanaf de zeventiende eeuw het klooster van de panchen lama. Ook weer een groot klooster in de traditionele kleuren wit, roodbruin en zwart, bescheiden, maar binnen werden we overdonderd door de rijkdom en de grote hoeveelheden goud en edelstenen. De panchen lama is momenteel een omstreden figuur; de Tibetanen en de Chinezen kunnen het niet eens worden wie de echte opvolger er reïncarnatie is van de in 1989 overleden tiende panchen lama. Volgens de Chinese versie regeert de huidige panchen lama vanuit de Lamatempel Yonghegong in Beijing, maar de Tibetanen beweren dat de echte panchen lama gevangenzit en dat dit slechts een plaatsvervanger en marionet is van de Chinezen. De Chinezen zijn van plan de huidige panchen lama meer tijd te geven in zijn geboortestreek Tibet en bouwen daarom momenteel een soort Potalapaleis naast het Tashilunpoklooster; de ruwbouw in beton staat er al ….
Omwille van de politieke kwestie wordt er in het majestueuze klooster niet te vaak de naam panchen lama genoemd. Fotograferen en filmen van het interieur is slechts toegestaan na het betalen van het ongelooflijke bedrag van 1500 yuan, dat is bijna 150 € !

Om zes uur ’s avonds, als het in het klooster al erg koud wordt, chanten de monniken; in dikke rode mantels gehuld en met gele “hanenkamhoeden” op het hoofd komen de monniken samen in de grote gebedszaal en zingen bijna hallucinerende psalmen, eindeloos … Toen het licht uitviel, ging alles gewoon door, bij haastig aangestoken kaarsen … Heel bijzonder !

Het werd erg koud ’s avonds; velen aten een heerlijk diner in het restaurant van het hotel, zoiets kan je goed aan Michel overlaten, en enkele dapperen verwarmden zich met een glaasje “slangenwijn” uit een grote pot met alcohol, waarin slangen geweekt werden ….



Over hemelse hoogten


Brrrrr, het was de volgende ochtend gemeen koud, de sterren fonkelden aan de hemel en het vroor … We reden terug richting Lhasa, langs het Yamdrockmeer. Toen de zon doorkwam werd al snel weer warm in de bus; Tibet blijft een land van extremen ! Onderweg stopten we kort bij een wierookmakerijtje; hier werden met waterkracht geurig hout en kruiden gemalen en dan in blokken in de zon te drogen gelegd. De blokken leken wel bakstenen maar waren vederlicht en roken licht naar jeneverbes, een typische reuk voor Tibetaanse wierook.
We namen de afslag naar het Yamdrockmeer en hadden de goden aan onze zijde; het is een bochtige bergweg langs diepe afgronden, maar met onvergetelijke vergezichten, en na een uur slalommen en stijgen bereikten we de Kambala-pas, op 4990 meter boven zeeniveau. Hier merkten we echt dat we hoog zaten, iedereen was even een beetje duizelig, maar het was de tocht meer dan waard. Onder ons lag het turkooisen, heilige Yamdrockmeer, dat elke minuut van kleur leek te veranderen, zo onwerkelijk mooi ! De omgeving is ruw en groen, moeder natuur toonde hier een van haar geheime juwelen, dat was wel duidelijk. Jammer dat er zoveel verkopers waren, en mensen die je willen fotograferen met een yak, een hertje of een woeste Tibetaanse mastiff. Dat kon aan de betovering gelukkig niets afdoen !
Ook de afdaling verliep perfect, we picknickten langs een riviertje, vlakbij een grote kudde yakken, en bereikten om drie uur Lhasa.

In de hoofdstad bezochten we het Tibet Museum, een groot, goed opgezet museum met vele Tibetaanse kunstschatten, volkenkundige voorwerpen en ook foto’s; ondanks het feit dat de uitleg nogal politiek gekleurd is, is het museum erg de moeite waard. De uitgang loopt natuurlijk via een enorme souvenirwinkel.



Terug naar Chengdu


De volgende ochtend was er de gelegenheid naar een traditioneel Tibetaans academisch ziekenhuis te gaan, waar de geïnteresseerden een boeiende uitleg kregen over de oeroude Tibetaanse homeopathie. Na een jarenlange studie zouden de artsen aan de hand van het voelen van de polsslag en het kijken naar tong en ogen van de patiënt een goede diagnose kunnen stellen en de juiste homeopatische geneesmiddelen voorschrijven. De geneesmiddelen die ons getoond werden, zoals schijfjes hertshoorn, enorme paddenstoelen, zaden en vruchten en vele andere raadselachtig uitziende gedroogde dingen waren interessant, ongetwijfeld effectief maar erg duur.

Gelukkig hadden we nog vrije tijd in het centrum van Lhasa; voor de laatste keer beleefde ik intens de Barkhorstraat, zwierf door de zijstraatjes, kwam in de moslimwijk terecht, struinde over markten waar de yakboter soms op vele meters afstand al te ruiken is en was helemaal in Tibet ! Bij de vele kraampjes rond de ingang van de Jokhangtempel kocht ik wat amuletten en andere kleurige souvenirs en stelde vast dat de Tibetanen net zo’n gehaaide verkopers zijn als de Chinezen. Ondanks alles zijn er heel wat overeenkomsten tussen deze twee volkeren; één van de verschillen is dat de Tibetanen minder luidruchtig zijn, ze kleden zich kleurrijker en glimlachen meer (maar ja, die mondkapjes …).

Toen was het helaas tijd voor het afscheid; bij het hotel kregen we van receptioniste Lhamo een kata omgehangen om ons een goede terugreis te verzekeren, we namen afscheid van hotel Tashi Nota en reden richting de luchthaven, voor de laatste keer langs het Potalapaleis. Bij de rotsboeddha stopten we weer. Chodak deed ons voor hoe we de kata’s konden verzwaren met zand, en wierpen deze richting de boeddha, waar soms de kata bleef hangen in de met doornstruikjes begroeide rotswand; een verzekering dat we zullen terugkeren naar Tibet !

In twee uur tijd vlogen we terug naar Chengdu, waar de sympathieke gids John ons opwachtte voor de transfer naar het hotel.



Naar Xi’an, per trein


De volgende ochtend hadden we vrije tijd in Chengdu, en op aanraden van John en Michel waren er wel enkele leuke excursies mogelijk. Velen togen nieuwsgierig naar het Volkspark, waar men kennis kon maken met de lokale bevolking, voornamelijk oudere mensen, die daar volksdansen, zingen, sporten en natuurlijk roddelen. Die vonden het contact met die buitenlanders wel interessant, ondanks de taalbarrière, en het werd best gezellig. Een oude man had een bijverdienste met … het schoonmaken van andermans oren !
Winkelen kan in de moderne Quanxilu-winkelstraat, en ook de zenboeddhistische Wenshu-tempel is interessant.
Een beetje zenuwachtig reden we ’s middags naar het station, allemaal hadden we wel vreselijke dingen gelezen over de treinen in China. Onze koffers waren al vooruitgestuurd, we moesten dus overleven op handbagage gedurende onze 18 uur durende rit naar Xi’an, 842 kilometer … In elk geval was de moderne stationshal flink druk en chaotisch, maar John wist ons via een zijgang eerder naar de trein te loodsen, vóór de massa uit. Tja, we zouden hardsleeper slapen, dus in wagons met driehoge stapelbedden en minimale privacy. Het was even passen en meten, de bedjes zijn niets te breed, maar uiteindelijk vond iedereen zijn plaatsje en begon onze eerste treinervaring in China. De trein was veel schoner dan verwacht, maar wel druk, de kaartjes werden nauwkeurig gecontroleerd en er was heet water in overvloed om koffie of thee te zetten. Tegen etenstijd kwamen er vanuit de restaurantiewagon karretjes door met goedkope maaltijden, fruit, drankjes, allemaal voor ’n habbekrats. Een aantal medereizigers ging dineren in de restaurantiewagon, waar Michel hielp met de bestelling, en genoten van lekkere maar pittige gerechtjes, geserveerd door kordate serveersters die zich met die buitenlanders niet echt raad wisten.
En dan maar proberen in slaap te komen …


Dat slapen viel gelukkig wel mee, en tegen half negen ’s ochtends kwamen we aan in Xi’an, de oudste hoofdstad van China, in de provincie Shaanxi op het Lössplateau, het stroomgebied van de Gele Rivier en bakermat van de Chinese geschiedenis.
Het station was hier ook weer groot en erg druk, buiten voor het station stonden ook heel veel Chinezen, dus het kostte ons even eer we ons naar onze bus geworsteld hadden. Onze lokale gids noemde zichzelf Tomic en was verder nauwelijks verstaanbaar.
Ons hotel heette New Henderson en is een splinternieuw hotel met superkamers, het ligt een stukje buiten het centrum, tegenover een groot shoppingcentre en er was een luxe ontbijtbuffet, dat we ons goed lieten smaken. Daarna fristen we ons op in de kamers en reden we naar de Grote Wilde Ganspagode, een boeddhistische pagode in lokale baksteenstijl; per slot van rekening waren we op het Lössplateau. Officieel is het een deel van een klooster, er zijn natuurlijk souvenirwinkeltjes (voor de Chinezen behoort winkelen tot de favoriete vrijetijdsactiviteiten), terrasjes, een rustig parkje, boeddhistische beelden en een hele rij vogelkooitjes met daarin meesjes, leeuweriken en zelfs een heuse kip; de hobby van één van de monniken. Het was ook heerlijk weer, we genoten ervan.
Vervolgens kregen we een korte, humoristische rondleiding in een soort museumpje door een jongedame die voorbeeldig Engels sprak; het museumpje is gewijd aan de schatrijke Tangdynastie, die van de 7 de tot en met de 10 de eeuw regeerde over China vanuit hun hoofdstad Xi’an, die toen tevens het beginpunt vormde van de fameuze Zijderoute. Het was toen een wereldstad met ruim twee miljoen inwoners, waaronder ook buitenlandse kooplieden en diplomaten, gelegen in een gedroomd landbouwgebied. Men was al snel zó rijk, dat zwaarlijvigheid een statussymbool en zelfs schoonheidsideaal werd !
Om de stad te beschermen werden drie hoge stadsmuren aangelegd, waarvan de binnenste muur nog vrijwel intact is; deze muur heeft een lengte van veertien kilometer en beschikt over vier hoofdpoorten en een extra gracht. Wij bezochten de oostelijke poort, met een prachtig uitzicht over de schijnbaar oneindige muur. We werden gewezen op de Chinese initialen van de steenbakkers in de miljoenen bakstenen; wie geen topkwaliteit leverde kon zo achterhaald en gestraft worden !

Na een heerlijk diner elders in de stad konden we ons toen eens echt gaan concentreren op een heerlijke nachtrust !



Confrontatie met de terracottakrijgers!


Na een voedzaam ontbijt gingen we op weg naar een ander hoogtepunt van deze reis : het wereldberoemde terracottaleger van de Chinese keizer Qinshihuang, aan de oostkant van de stad. Om het geheel aanschouwelijk te maken bezochten we een terracottaworkshop waar Michel ons gedreven uitlegde hoe die krijgers oorspronkelijk gemaakt werden, waarvoor ze dienden en waarom dit leger zo uniek is. Toch zijn er nog vele vragen die de archeologen kwellen.
Daarna was het tijd voor de echte confrontatie met het leger; het terracottamuseum is één van de topattracties in China dus een enorme parkeerplaats stond al vol touringcars. Met een soort elektrische trolley bespaarden we veel tijd en stonden we al snel in een ronde bioscoop waar een soort “Ben Hur”-film ons nog meer voorbereidde op het Leger.
En dan stonden we echt oog in oog met honderden gave terracottakrijgers.
Het verhaal gaat dat de keizer Qinshihuang in de derde eeuw voor Christus de vele concurrerende staten verenigde tot één groot land, China, en tevens de Grote Muur aan de noordkant van zijn rijk liet vervolledigen als bescherming tegen de eeuwige vijand uit het noorden, de Mongolen. Hij was een despotisch en zelfs paranoïde heerser, gevreesd om zijn strenge straffen, legde wegen en kanalen aan, voerde het rekeningrijden in, zorgde voor één schrijftaal, één stelsel van maten en gewichten, één wetgeving en zette de lokale edelen buitenspel. Zo kon hij als Mandaat van de Hemel alleen regeren over een enorm land. Hij was echter zo bang om te sterven dat hij een enorme ondergrondse stad liet aanleggen van waarschijnlijk 56 km² als grafcomplex; daarin werd zijn rijk op schaal nagebootst, inclusief rivieren van kwikzilver, een circus, een dierentuin, concubinevertrekken enzovoort. De keizer wilde zelfs een heel leger levend laten meebegraven na zijn dood; gelukkig kon men hem op andere gedachten brengen en werd er een leger gefabriceerd in terracotta, wel symbolisch maar beslist niet minder indrukwekkend. Totnogtoe zijn er ongeveer 8000 soldaten gevonden, in slagorde, tot de tanden toe bewapend, en tevens een aantal bronzen koetsen van bijzonder hoge perfectie, die de archeologen nu nog steeds voor raadsels stellen.
Heel indrukwekkend !!!
Naderhand moesten we echter te voet door een enorme souvenirmarkt om terug te komen bij de bus, en na een slechte lunch bezochten we iets extra’s : de Huaqingchi Hete Bronnen, een keizerlijk kuur- en lustoord (niet noodzakelijk in die volgorde) waar eeuwenlang de keizers zich verpoosden in geneeskrachtige bronnen van 42°C. Een prachtig complex, waar wij zelf ook onze vermoeide voeten konden verkwikken in het warme water, tegen betaling uiteraard !

Voor de liefhebbers was het ’s avonds nog mogelijk de wervelende Tang-Dynastieshow te genieten, wat een laaiend succes was.
Vól indrukken begaven we ons weer richting onze zachte bedjes …



Terug naar Chengdu


Ook in Xi’an was het erg mistig, deels van de smog (Xi’an is een voor Chinese begrippen middelgrote stad met haar 7,5 miljoen inwoners) deels natuurlijke mist. China is grotendeels een mistig land, echt helder weer is er niet vaak en dan meestal uitsluitend in de vaak ijzige winters.
Ideaal weer dus om het rijke Shaanxi Provinciaal Museum te bezoeken. Xi’an is de hoofdstad geweest van tenminste elf keizerlijke dynastieën, er liggen meer dan 110 keizers begraven en de bodem is gewoon een archeologisch schateiland. Ongelooflijk mooi bronswerk van 4000 jaar oud, kunstig keramiek, millenniaoude stukken bewerkt jade, allemaal uit tijden vér voor de West-Europese beschavingen.
De moslimwijk is ook een wereldje apart. Hoewel veel mensen het niet weten heeft China ook een grote moslimgroepering, de schattingen vermoeden rond de 50 miljoen; de meesten wonen in de westelijke provincie Xinjiang, langs de oude Zijderoute. Maar ook Xi’an heeft haar eigen moslimwijk met een eigenaardige moskee in Chinese Qing-bouwstijl, moslimrestaurantjes, mannen met kalotjes en volstrekt ontoeristische straatjes, waar de tijd lijkt te hebben stilgestaan.

Om 15.00 uur bracht de bus ons naar het treinstation; we waren wat vroeg uit angst voor de files die ook al tot de alledaagse Chinese beslommeringen horen, en het station was mudvol, net een kippenhok. Michel wist de stugge perronbewaaksters te overreden, met een kleine financiële geste, om ons alvast toe te laten tot de trein. Zo konden we ons in alle rust installeren vóór de Chinese golf passagiers met grote balen bagage de trein instormde. En zo reden we door het Chinese Lössplateau terug naar Chengdu.

In Chengdu wachtte John ons weer op om half tien ‘s ochtends, we reden naar het hotel, waar we even moesten wachten op de bagage en de kamers. Hierna hadden we tijd voor onszelf, de laatste excursies, de laatste inkopen, en ’s avonds gingen we nog één maal samen eten in een beetje chiquer restaurant in de buurt, Piao Xiang, met Chinese wijn en bijzondere, smakelijke gerechten.

En zo lieten we de volgende dag Chengdu achter ons; met KLM vlogen we nog een geruime tijd langs de prachtig besneeuwde toppen van de Himalaya en konden we onze gedachten over onze onvergetelijke reis laten gaan : Chengdu, Lhasa, Gyantse, Shigatse en Xi’an. We hadden veel gezien, geleerd wat grote hoogte betekent voor een mensenlichaam, een veel genuanceerder beeld over speciaal Tibet ontwikkeld en vooral ook ontzettend genoten !


Ook zin in vakantie na het lezen van dit reisverslag? Bekijk het reisaanbod naar China

Kadobon winnen?

Wilt u ook kans maken op een kadobon? Per kwartaal wordt de inzender van het mooiste reisverslag beloond met een kadobon.